Samenvatting
Het Belastingplan 2027, op 15 september 2026 ingediend bij de Tweede Kamer, verhoogt de energie-investeringsaftrek per 1 januari 2027 van 40 naar 45,5 procent. Voor een productiebedrijf dat 600.000 euro in een industriële warmtepomp steekt en in de hoge schijf van de vennootschapsbelasting zit, is dat verschil 8.514 euro netto. Dezelfde warmtepomp bespaart in dit rekenvoorbeeld 15.660 euro energiekosten per maand, dus wie door het wachten meer dan drie weken later gaat draaien, is het fiscale verschil kwijt.
Een directeur van een voedingsmiddelenbedrijf had de offerte voor een industriële warmtepomp al drie weken op zijn bureau liggen toen hij op Prinsjesdag las dat de energie-investeringsaftrek volgend jaar omhoog gaat. Zijn eerste som was snel gemaakt: 5,5 procent extra aftrek op 600.000 euro is 33.000 euro. Hij belde de leverancier om te vragen of de bestelling tot januari kon wachten.
Die som klopt niet. De 5,5 procentpunt is een aftrek van de belastbare winst, dus netto is het verschil ongeveer een kwart daarvan. Het jaar dat telt is het jaar waarin je de verplichting aangaat, en dat is een ander moment dan de levering. Intussen loopt de gasrekening elke maand dat de installatie later draait door tegen de huidige prijs.
Bij een energie-investering die zichzelf terugverdient, is het belastingvoordeel het kleinste getal in de som en de energiebesparing het grootste. De planning hoort op het grootste getal te rusten.
Wij verdienen ons geld met dit soort doorrekeningen, dus lees de conclusies hieronder met dat in gedachten.
Wat het Belastingplan 2027 verandert aan de EIA, en wat nog niet vaststaat
Het kabinet heeft op 15 september 2026 het pakket Belastingplan 2027 ingediend. Volgens Taxence (fiscaal vakblad, 15 september 2026) staat in het wetsvoorstel dat het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA, in het Engels energy investment allowance) per 1 januari 2027 structureel van 40 naar 45,5 procent gaat. Het persbericht van de Rijksoverheid (15 september 2026) rondt dat af op 45 procent en meldt dat de Tweede Kamer het pakket vanaf oktober behandelt en de Eerste Kamer in december. Beide stemmingen moeten nog plaatsvinden. Tot die tijd is 45,5 procent een voornemen.
Voor 2026 gelden de regels zoals de Belastingdienst ze publiceert: 40 procent van het investeringsbedrag mag extra van de fiscale winst af, het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Energielijst staan, het bedrag is minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel, en de investering moet binnen drie maanden bij RVO zijn gemeld. De aftrek komt bovenop de gewone afschrijving. De EIA is te combineren met de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Met de milieu-investeringsaftrek kan dat niet.
Wat als investeren geldt, is het punt waar de directeur uit de opening de mist in ging. De Belastingdienst omschrijft investeren als het aangaan van een verplichting voor de aanschaf of verbetering van een bedrijfsmiddel, en noemt als voorbeelden het schriftelijk accepteren van een offerte, het mondeling aanvaarden van een koopvoorstel en het sluiten van een koopovereenkomst. De brochure Energielijst 2026 van RVO (december 2025) zegt hetzelfde: het moment waarop je kunt bepalen wat je hebt gekocht tegen welke prijs, vaak de handtekening onder het koopcontract, maar ook een mondelinge of digitale opdracht. Het jaar van de handtekening is het investeringsjaar, ook als levering, betaling en ingebruikname in een later jaar vallen.
Daar zit een tweede regel achter die weinig directeuren die wij spreken kennen. Is het bedrijfsmiddel aan het einde van het boekjaar nog niet in gebruik, dan mag je volgens dezelfde pagina van de Belastingdienst in dat jaar alleen investeringsaftrek claimen tot het bedrag dat je in dat boekjaar hebt betaald. De rest schuift door naar de volgende jaren, uiterlijk tot het jaar van ingebruikname. Wie in december 2026 tekent en 30 procent aanbetaalt, trekt in 2026 dus 40 procent van die aanbetaling af en de rest later.
Wat de theorie zegt over uitstel bij een aangekondigde belastingprikkel
House en Shapiro (American Economic Review, 2008, peer reviewed) laten zien dat de intertemporele elasticiteit van investeringen in langlevende kapitaalgoederen vrijwel oneindig is: omdat een machine twintig jaar meegaat, maakt het voor de waarde ervan nauwelijks uit of hij in december of in januari wordt gekocht, en dus verschuift een tijdelijk belastingvoordeel het moment van kopen fors. Zij vinden bij de Amerikaanse bonus depreciation een investeringselasticiteit tussen 6 en 14. Een hogere aftrek die pas in januari ingaat, geeft bedrijven om dezelfde reden een prikkel om december over te slaan.
Zwick en Mahon (American Economic Review, 2017, peer reviewed) analyseerden ruim 120.000 Amerikaanse bedrijven en vonden dat versnelde afschrijving de investeringen in de betreffende activa met 10,4 procent verhoogde in 2001 tot 2004 en met 16,9 procent in 2008 tot 2010. Kleine bedrijven reageerden 95 procent sterker dan grote. Bedrijven reageerden volgens hen sterk als de regeling direct kasgeld opleverde; kwam het voordeel pas in een later jaar, dan bleef de reactie grotendeels uit. Maffini, Xing en Devereux (American Economic Journal: Economic Policy, 2019, peer reviewed) vonden op Britse aangiften vennootschapsbelasting dat een hogere eerstejaarsaftrek voor kleinere bedrijven in 2004 de investeringsquote met 2,1 tot 2,5 procentpunt verhoogde, en dat dit effect vooral komt door lagere kapitaalkosten en niet door verlichting van financieringsbeperkingen.
McDonald en Siegel (Quarterly Journal of Economics, 1986, peer reviewed) berekenden de waarde van wachten bij een onomkeerbare investering: zolang de opbrengst onzeker is, heeft uitstel een optiewaarde. Gulen en Ion (Review of Financial Studies, 2016, peer reviewed) laten op bedrijfsniveau zien dat beleidsonzekerheid investeringen drukt, en het sterkst bij bedrijven waarvan de investering het moeilijkst is terug te draaien. Een warmtepomp die op maat in een fabriek wordt ingebouwd, is zo'n investering. De vraag is alleen waar de onzekerheid zit. In dit geval zit die in het aftrekpercentage, en dat verschil is klein en begrensd. De opbrengst van de installatie zelf, de energiebesparing, is veel groter en begint op de dag dat hij draait.
SEO Economisch Onderzoek en CE Delft (beleidsevaluatie 2017 tot 2021 in opdracht van het ministerie, gepubliceerd juli 2023; een onderzoeksrapport, niet peer reviewed) berekenden dat het netto fiscale voordeel gemiddeld ongeveer 12 procent van het investeringsbedrag was, dat ongeveer de helft van de gemelde investeringen ook zonder de regeling zou zijn gedaan, en dat het generieke aftrekpercentage maar een beperkt effect heeft op de investeringsbereidheid. Hun aanbeveling was een verdere verlaging van het percentage; het kabinet stelt nu een verhoging voor. Voor de helft van de gemelde bedrijven was de EIA volgens die evaluatie een meevaller achteraf op een investering die ze toch al deden.
Rekenvoorbeeld: een voedingsmiddelenbedrijf met een warmtepomp van 600.000 euro
In dit rekenvoorbeeld heeft een producent van gekoelde maaltijdcomponenten een omzet van 14 miljoen euro, een winst voor belasting van 520.000 euro en 70 medewerkers. Het proceswater voor reinigen, blancheren en pasteuriseren wordt met een gasketel op 65 graden gebracht. Het bedrijf overweegt een elektrisch gedreven industriële warmtepomp met warmteterugwinning uit de koelinstallatie, investeringsbedrag 600.000 euro inclusief inbouw, levertijd vijf maanden. Wij gaan ervan uit dat de installatie voldoet aan een code op de Energielijst 2026; de brochure van RVO noemt onder code 221103 een elektrisch gedreven warmtepomp met een COP van minimaal 4,0 bij een temperatuurverschil tot 40 graden. Of jouw installatie kwalificeert, controleer je bij RVO voordat je tekent.
Het bedrijf verbruikt voor dit proces 300.000 kubieke meter gas per jaar tegen een all-in prijs van 1,00 euro per kubieke meter, aanname in dit voorbeeld, dus 300.000 euro. Een kubieke meter aardgas levert 9,77 kilowattuur bovenwaarde; bij een ketelrendement van 90 procent is dat 2.637.900 kilowattuur warmte per jaar. Een warmtepomp met een COP van 4,0 maakt die warmte met 659.475 kilowattuur stroom, tegen een aangenomen 0,17 euro per kilowattuur is dat 112.100 euro. De besparing is 187.900 euro per jaar, 15.660 euro per maand, voor belasting. De terugverdientijd is 3,2 jaar zonder EIA en 2,9 jaar met de aftrek van 2026.
De Belastingdienst hanteert in 2026 twee schijven: 19 procent tot 200.000 euro belastbare winst en 25,8 procent daarboven. Zonder EIA betaalt dit bedrijf over 520.000 euro winst 38.000 plus 82.560, dat is 120.560 euro. Tekent het in 2026, dan is de aftrek 40 procent van 600.000, dat is 240.000 euro. De belastbare winst wordt 280.000 euro en de belasting 38.000 plus 20.640, dat is 58.640 euro. Het voordeel is 61.920 euro. Tekent het pas in januari 2027 en gaat het percentage inderdaad naar 45,5, dan is de aftrek 273.000 euro, de belastbare winst 247.000 euro en de belasting 50.126 euro. Het voordeel is dan 70.434 euro. Het verschil tussen de twee jaren is 8.514 euro. De 33.000 euro van de directeur was het verschil in aftrek; het verschil in belasting is 25,8 procent daarvan. Beide voordelen vallen volledig in de hoge schijf, dus ze zijn 25,8 procent van de aftrek.
| Scenario | Moment van tekenen | EIA-aftrek | Vennootschapsbelasting | Fiscaal voordeel | Installatie draait vanaf | Gemiste besparing ten opzichte van nu tekenen |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Geen EIA | 0 | 120.560 euro | 0 | |||
| Tekenen in september 2026 | 2026, 40 procent | 240.000 euro | 58.640 euro | 61.920 euro | maart 2027 | 0 |
| Tekenen in januari 2027 | 2027, 45,5 procent (voorstel) | 273.000 euro | 50.126 euro | 70.434 euro | juli 2027 | 62.600 euro voor belasting, 46.500 euro na belasting |
De laatste kolom is het getal dat op het bureau van de directeur ontbrak. Tekent hij nu, dan draait de warmtepomp na vijf maanden levertijd en een maand inbouw vanaf maart 2027. Tekent hij in januari, dan is dat juli 2027. Vier maanden zonder de besparing is 62.600 euro; omdat die besparing anders als winst was belast tegen 25,8 procent, is het netto verlies 46.500 euro. Daar staat 8.514 euro extra aftrekvoordeel tegenover. Per maand uitstel verliest het bedrijf netto 11.620 euro aan besparing, dus na 22 dagen is het fiscale verschil verdampt en kost elke verdere dag uitstel het bedrijf ruim 380 euro netto.
In de kasstroom krimpt het fiscale verschil verder. Het voordeel van 2026 verrekent de Belastingdienst in de aanslag over 2026, die je in 2027 aangeeft, of eerder als je de voorlopige aanslag 2026 nu laat verlagen. Het voordeel van 2027 komt een jaar later. Tegen een kostenvoet van 5 procent is 70.434 euro over een jaar vandaag 67.080 euro waard, en het verschil met nu tekenen krimpt van 8.514 naar 5.160 euro. Wie zijn werkkapitaal bij de bank financiert tegen 8 procent, houdt 3.300 euro over. Hoe de timing van belasting over de winst in je liquiditeit doorwerkt, rekenden we eerder uit in het artikel over een hardwarereseller die belasting betaalt over winst die hij niet heeft.
Waarom het gemiddelde voordeel van 12 procent jou niets zegt
De evaluatie van SEO en CE Delft noemt een gemiddeld netto voordeel van ongeveer 12 procent van het investeringsbedrag. Dat gemiddelde middelt twee dingen weg die voor jouw bedrijf de uitkomst bepalen: het tarief waartegen de aftrek valt en of er winst is om hem tegen af te zetten.
In het rekenvoorbeeld valt de hele aftrek in de schijf van 25,8 procent, dus 40 procent aftrek is netto 10,3 procent van de investering en 45,5 procent is netto 11,7 procent. Maakt het bedrijf 300.000 euro winst, dan drukt een aftrek van 240.000 euro de belastbare winst tot 60.000 euro. Een deel van de aftrek valt dan in de schijf van 19 procent. Het voordeel is 52.400 euro in 2026 en 58.670 euro in 2027, een verschil van 6.270 euro. Voor een bv waarvan de belastbare winst ook zonder aftrek onder de 200.000 euro blijft, is de hele aftrek 19 procent waard: 40 procent wordt netto 7,6 procent van de investering en 45,5 procent wordt 8,6 procent.
Een investeringsaftrek is een aftrek van de winst. Maakt het bedrijf in het jaar van tekenen verlies, dan vergroot de aftrek het verlies en komt het voordeel pas als dat verlies wordt verrekend met winst van een ander jaar. Zwick en Mahon vonden dat bedrijven zonder directe belastbare winst nauwelijks reageren op een prikkel die pas in een later jaar kasgeld oplevert. Voor een productiebedrijf dat 2026 met verlies afsluit en 2027 weer winst verwacht, kan het jaar van tekenen dus wel uitmaken, om een andere reden dan het percentage. Dat is een vraag voor de adviseur.
Wat een acceptabele uitkomst is en wanneer je die haalt
Wij zien bij productiebedrijven dat de EIA in een investeringsbeslissing twee gedaanten heeft. Bij een installatie die zichzelf binnen vier jaar terugverdient, zoals de warmtepomp hierboven, is de aftrek een meevaller die de terugverdientijd een paar maanden verkort. De beslissing staat los van het percentage, en het moment van tekenen volgt uit de levertijd en de productieplanning. Bij een installatie met een terugverdientijd van acht tot twaalf jaar, zoals isolatie van een oude hal of een warmtenet-aansluiting, is de aftrek een wezenlijk deel van de business case. Daar kan 5,5 procentpunt het verschil maken tussen doen en laten, en daar is wachten op de wet een verdedigbare keuze. Onderstaande tabel geeft per fase van het besluit wat in dit rekenvoorbeeld acceptabel is.
| Fase | Wat je doet | Acceptabel in dit voorbeeld | Wanneer |
|---|---|---|---|
| Business case | Besparing per maand naast het fiscale verschil tussen de jaren zetten | Fiscaal verschil kleiner dan één maand netto besparing: tekenen op het moment dat de planning het toelaat | Voor de offerte wordt geaccepteerd |
| Energielijst | Code en eisen bij RVO controleren, leverancier laten bevestigen dat de installatie eraan voldoet | Schriftelijke bevestiging van code en COP in de offerte | Voor de handtekening |
| Tekenen | Datum van de opdracht vastleggen; dat is het investeringsjaar | Handtekening en RVO-melding in hetzelfde kwartaal | Melding binnen drie maanden na tekenen |
| Betalen | Betalingsschema afstemmen op het jaar waarin je de aftrek wilt | Als de installatie op 31 december nog niet draait: aftrek in dat jaar beperkt tot wat is betaald | Bij het opstellen van het contract |
| Voorlopige aanslag | De aftrek verwerken in de voorlopige aanslag van het investeringsjaar | Het voordeel van 61.920 euro in 2026 in kas, niet in 2028 | Direct na tekenen |
De rij over betalen is de rij die in de meeste contracten die wij zien ontbreekt. Een leverancier van procesinstallaties vraagt vaak 30 procent bij opdracht, 60 procent bij levering en 10 procent bij oplevering. Wie in september 2026 tekent, betaalt 180.000 euro in 2026 en 420.000 euro in 2027, en de installatie draait pas in maart. In 2026 is de aftrek dan beperkt tot 40 procent van 180.000 euro, dat is 72.000 euro, netto 18.576 euro. De aftrek over de resterende 420.000 euro schuift door naar 2027, het jaar van betaling en ingebruikname. Welk percentage voor dat doorgeschoven deel geldt, dat van het jaar van de verplichting of dat van het jaar van betaling, vraag je aan je adviseur voordat je het betalingsschema tekent. Wij lezen de regeling zo dat het jaar van de verplichting het percentage bepaalt. Laat dat bevestigen.
Hoe je beslist of je voor de EIA in 2026 of in 2027 tekent
Zet de netto besparing per maand naast het netto fiscale verschil tussen de jaren. In het rekenvoorbeeld is dat 11.620 euro tegenover 8.514 euro. Is de besparing groter dan het verschil, dan wint de eerste maand productie van de wet. Alleen als het fiscale verschil groter uitvalt, valt wachten te overwegen, en dan is de business case waarschijnlijk toch al dun. Dit is de som die wij bij elke energie-investering als eerste maken.
Reken de aftrek tegen je eigen tarief. Neem je verwachte belastbare winst van 2026, trek de EIA-aftrek eraf en bereken de belasting in beide situaties met de schijven van 19 en 25,8 procent. Het verschil is je voordeel, en dat is bij 520.000 euro winst 61.920 euro en bij 300.000 euro winst 52.400 euro.
De datum van de verplichting is de datum die je vastlegt. Het jaar van de handtekening is het investeringsjaar; de melding bij RVO binnen drie maanden is een harde voorwaarde volgens de Belastingdienst en de brochure van RVO. Wij zien bij productiebedrijven dat een offerte per e-mail wordt geaccepteerd en de formele order weken later volgt; de datum van die e-mail telt.
Verlaag de voorlopige aanslag. Het voordeel van 61.920 euro in 2026 komt in kas zodra de Belastingdienst de voorlopige aanslag 2026 aanpast, in plaats van bij de definitieve aanslag in 2027 of 2028. Dat vraagt een verzoek dat je adviseur binnen een week indient.
Het betalingsschema hoort naast het jaar te liggen. Als de installatie op 31 december nog niet draait, is de aftrek in dat jaar beperkt tot wat je hebt betaald. Wil je het voordeel in 2026, dan is een hogere aanbetaling in 2026 een optie; die kost je liquiditeit die je tegen de rente van je rekening-courant moet afwegen, en hoe zo'n investering je kredietruimte raakt, staat in het artikel over een installatiebedrijf dat bij de bank vastloopt.
Volg de behandeling in de Kamer zonder je planning eraan op te hangen. Neemt de Eerste Kamer 45,5 procent in december aan, dan heeft wie in 2026 tekende 8.514 euro laten liggen op een besparing van 187.900 euro per jaar. Sneuvelt of verschuift het voorstel, dan heeft wie wachtte vier maanden de oude gasrekening betaald, in het rekenvoorbeeld 46.500 euro netto, zonder dat daar iets tegenover staat.
Wanneer dit verhaal niet opgaat
Het rekenvoorbeeld gaat uit van een installatie met een korte terugverdientijd en van een bedrijf met winst in de hoge schijf. Bij een investering met een terugverdientijd van tien jaar is de maandelijkse besparing in verhouding tot de investering ongeveer een derde van die in het voorbeeld, en dan kan het fiscale verschil wel groter zijn dan een maand besparing. Sluit een bedrijf 2026 met verlies af, dan levert de aftrek in 2026 geen kasgeld op en kan 2027 om die reden het betere jaar zijn. Heeft een bedrijf in 2026 al zoveel geïnvesteerd dat de aftrek groter wordt dan de winst, dan valt een deel van het voordeel hoe dan ook in een later jaar en weegt het percentage van 2027 zwaarder.
Wij geven geen belasting- of juridisch advies. Dit artikel beschrijft de regels zoals de Belastingdienst, RVO en het wetsvoorstel ze publiceren, en laat zien waarover je advies moet vragen. Neem in elk geval deze vragen mee naar je adviseur: welk moment geldt in jouw contract als het aangaan van de verplichting; welk percentage geldt voor het deel van de aftrek dat doorschuift naar het jaar van betaling; wat de EIA doet met je voorlopige aanslag 2026 en de belastingrente; of de installatie exact voldoet aan de code op de Energielijst; en of het Belastingplan 2027 iets verandert aan de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als je investering onder 398.236 euro blijft.
De doe-het-zelf-variant
De zuivere methode is een investeringsanalyse per installatie met de energiebesparing per maand, het fiscale voordeel per jaar tegen je eigen schijven, het betalingsschema en de kasstroom van de voorlopige aanslag in één overzicht, bijgewerkt zodra het Belastingplan de Kamer is gepasseerd. Dat vraagt een controller die de fiscale en de operationele kant naast elkaar kan zetten.
De doe-het-zelf-variant past op een A4. Neem uit de offerte het investeringsbedrag en uit de energieberekening van de leverancier de besparing per jaar. Deel die door twaalf en vermenigvuldig met één min je tarief, bij 25,8 procent dus met 0,742; dat is je maandbesparing na belasting. Vermenigvuldig het investeringsbedrag met 0,055 en met je hoogste tarief, 25,8 procent bij een winst boven twee ton, 19 procent daaronder. Dat is het fiscale verschil tussen tekenen in 2026 en in 2027. Deel dat verschil door de maandbesparing na belasting en je hebt het aantal maanden uitstel dat je je kunt veroorloven. In het rekenvoorbeeld: 15.660 maal 0,742 is 11.620 euro per maand; 600.000 maal 0,055 maal 0,258 is 8.514 euro; 8.514 gedeeld door 11.620 is 0,7 maand. Wie daaronder blijft, tekent nu. Hoe je zulke sommen in een maandelijkse cyclus houdt in plaats van eens per jaar, staat in het artikel over rolling forecasts.
Veelgestelde vragen over de EIA-verhoging in het Belastingplan 2027
Moet ik mijn investering in een warmtepomp uitstellen tot 2027 voor de hogere EIA?
Zet het fiscale verschil naast de besparing. Bij 600.000 euro investering en een winst in de hoge schijf is het verschil tussen 40 en 45,5 procent aftrek 8.514 euro netto. Bespaart de installatie 15.660 euro per maand voor belasting, 11.620 euro na belasting, dan ben je dat verschil na 22 dagen uitstel kwijt. Alleen bij een lange terugverdientijd of bij een verliesjaar in 2026 kan wachten uitkomen.
Hoeveel scheelt 45,5 procent EIA ten opzichte van 40 procent?
Het verschil is 5,5 procentpunt extra aftrek van de winst, en die aftrek is netto het tarief van de vennootschapsbelasting waard. Bij 25,8 procent is dat 1,42 procent van het investeringsbedrag, bij 19 procent is het 1,05 procent. Op 600.000 euro is dat 8.514 of 6.270 euro. Het Rijksoverheid-persbericht rondt het nieuwe percentage af op 45; in het wetsvoorstel staat volgens Taxence 45,5.
Welk jaar telt voor de EIA: bestellen, betalen of in gebruik nemen?
Het jaar waarin je de verplichting aangaat, volgens de Belastingdienst en RVO het moment waarop je kunt bepalen wat je hebt gekocht tegen welke prijs, meestal de handtekening of de geaccepteerde offerte. Is de installatie aan het eind van dat jaar nog niet in gebruik, dan is de aftrek in dat jaar beperkt tot het bedrag dat je hebt betaald; de rest schuift door. Meld de investering binnen drie maanden na het tekenen bij RVO.
Is de EIA-verhoging uit het Belastingplan 2027 al zeker?
Op 16 september 2026 is het een ingediend wetsvoorstel. De Tweede Kamer behandelt het pakket vanaf oktober, de Eerste Kamer in december, en beide stemmingen moeten nog plaatsvinden. Wie zijn investering laat afhangen van het percentage, wacht op een stemming, en betaalt intussen de oude energierekening.
Hoe bereken ik het netto belastingvoordeel van de EIA voor mijn bv?
Neem je verwachte belastbare winst, trek 40 procent van het investeringsbedrag af en bereken de vennootschapsbelasting in beide situaties met de schijven van 2026: 19 procent tot 200.000 euro en 25,8 procent daarboven. Het verschil is je voordeel. Bij 520.000 euro winst en 600.000 euro investering is dat 61.920 euro; bij 300.000 euro winst is het 52.400 euro, omdat een deel van de aftrek in de lage schijf valt.
Krijg ik EIA als mijn bedrijf in 2026 verlies maakt?
De aftrek vergroot dan je verlies. Het voordeel komt pas als dat verlies wordt verrekend met winst uit een ander jaar. Zwick en Mahon (2017) vonden dat bedrijven zonder directe belastbare winst daarom nauwelijks op zo'n regeling reageren. Verwacht je in 2027 wel winst, dan is dat een reden om het jaar van tekenen met je adviseur te bespreken, los van het percentage.
Kan ik de EIA combineren met de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek?
Ja, volgens de Belastingdienst mag een investering tegelijk in aanmerking komen voor EIA en KIA; de combinatie met de milieu-investeringsaftrek is niet toegestaan. In 2026 loopt de KIA tot een totaal investeringsbedrag van 398.236 euro; boven dat bedrag, zoals in het rekenvoorbeeld, is de KIA nul. Of het Belastingplan 2027 iets aan de KIA verandert, vraag je aan je adviseur.
Meer lezen: Waarom een hardwarereseller bij stijgende geheugenprijzen belasting betaalt over winst die hij niet heeft, Waarom een winstgevend installatiebedrijf bij de bank vastloopt zodra het sneller groeit dan zijn winst toelaat, Rolling forecasts: sturen in een bewegende markt en Waarom een winstgevend MKB-bedrijf toch vastloopt op cashflow.
← Terug naar kennisbank