Samenvatting

Voorraad die twaalf maanden niet beweegt, staat op de balans als bezit en kost het bedrijf elk jaar een kwart van zijn inkoopwaarde aan rente, ruimte, handling en veroudering. In het rekenvoorbeeld in dit artikel heeft een technische groothandel met 1,8 miljoen euro voorraad 396.000 euro aan artikelen zonder verkoop in het afgelopen jaar, en die kosten 98.520 euro per jaar, grotendeels verspreid over de rentelasten, de huur, de verzekering en de loonkosten van het magazijn, waar niemand ze aan de artikelen koppelt. Wie per artikelgroep de omloopsnelheid en de laatste verkoopdatum bijhoudt, ziet welk deel van het magazijn geld kost, en kan per partij uitrekenen of opruimen tegen 40 procent van de inkoopwaarde meer oplevert dan drie jaar wachten op een koper.

De directeur van een technische groothandel met 35 medewerkers loopt in januari mee met de jaarlijkse telling. Het magazijn telt 12.000 voorraadhoudende artikelnummers op 2.800 vierkante meter, samen 1,8 miljoen euro aan inkoopwaarde. Bij de stellingen achterin staat een pallet met bevestigingsmateriaal in een coating die de markt sinds twee jaar niet meer vraagt, een rij dozen met een uitgelopen serie armaturen, twee pallets in een verpakkingseenheid die de fabrikant heeft vervangen, en een halve stelling met maatvarianten die ooit voor één klant zijn ingekocht. De magazijnchef zegt wat hij elk jaar zegt: we hebben ruimte genoeg, en het is al betaald.

In de jaarrekening staat die voorraad tegen kostprijs. De accountant heeft er geen opmerking over gemaakt en de bank telt hem mee in de dekking. De brutomarge van het bedrijf staat op 32 procent, wat bij deze groothandel als goed geldt. De directeur zoekt de reden dat de winst achterblijft bij de verkoopafdeling en bij de gestegen rente, en kijkt daarmee langs het antwoord heen. Voorraad die niet meer verkoopt, staat op de balans als bezit en gedraagt zich in de winst-en-verliesrekening als een kostenpost van ongeveer een kwart van zijn inkoopwaarde per jaar. Die kosten staan er wel, op de regels rente, huisvesting, verzekering en personeel magazijn, en daardoor ziet niemand ze als kosten van die ene pallet achterin.

Waarom voorraad die stilstaat geld kost

Gurtu (2021) beschrijft in het Journal of Risk and Financial Management (peer reviewed) dat de kosten van voorraad aanhouden in de literatuur meestal als één percentage van de artikelwaarde worden aangenomen, en haalt daarbij Waters (2003) aan, die uitgaat van ongeveer 20 procent per jaar, met een bandbreedte van 16 tot 20 procent bij andere auteurs. Zijn bevinding is dat die aanname niet opgaat voor een breed assortiment: een bedrijf met veel verschillende artikelen moet de kosten van aanhouden per artikel berekenen, omdat prijs, gewicht, volume en daarmee de opslagkosten per artikel te ver uiteenlopen voor één gemiddeld percentage. Berling (2008) was in het International Journal of Production Economics (peer reviewed) al eerder tot een vergelijkbare conclusie gekomen, met een activity-based-costing-benadering: het percentage van de waarde is gebaseerd op de gedachte dat kapitaalkosten het grootste deel zijn, recent onderzoek wijst erop dat dit niet vanzelfsprekend zo is, en er zijn situaties waarin de traditionele methode een kostenstijging van meer dan 15 procent oplevert.

Voor een groothandel met een breed assortiment zit het verschil in de ruimte. Rente en verzekering lopen mee met de waarde van een artikel. De huur van een magazijn loopt mee met het aantal locaties, en een artikel dat twaalf maanden niet beweegt, houdt zijn locatie net zo lang bezet als een artikel dat elke week wordt gepickt. Wie de huur naar waarde verdeelt, schuift zo een deel van de huur van de dode voorraad naar de snelle lopers. Wij zien bij technische groothandels dat de langzame en dode artikelen samen meer dan de helft van de locaties bezetten, tegen een derde van de voorraadwaarde.

De veroudering komt daar bovenop: een schroef in een coating die de markt niet meer vraagt, wordt elk jaar minder waard, en een armatuur uit een uitgelopen serie ook. Dat verlies staat nergens totdat iemand de voorraad afwaardeert, en zolang dat niet gebeurt, betaalt het bedrijf belasting over een voorraadwaarde die er niet meer is. Hoe dat mechanisme werkt bij stijgende inkoopprijzen staat in Waarom een hardwarereseller bij stijgende geheugenprijzen belasting betaalt over winst die hij niet heeft; bij dalende marktwaarde werkt het de andere kant op, en daar gaat de sectie over de jaarrekening hieronder over.

Waarom de ondernemer hem laat liggen

Arkes en Blumer (1985) lieten in Organizational Behavior and Human Decision Processes (peer reviewed) zien dat mensen een grotere neiging hebben iets voort te zetten zodra er geld in is gestoken, en hetzelfde geldt voor moeite of tijd, en dat de rechtvaardiging daarvoor de wens is om niet verspillend over te komen. Wie eenmaal had geïnvesteerd, schatte de kans op succes van hetzelfde project hoger in dan wie dat niet had gedaan, en een eerdere cursus economie hielp daar niet tegen. Ronayne, Sgroi en Tuckwell (2021) vonden in het Journal of Economic Behavior & Organization (peer reviewed) in een experiment dat 23 procent van de deelnemers vasthield aan een loterij die ze zelf hadden verdiend, terwijl een aantoonbaar betere loterij voor het oprapen lag; het gevoel van eigendom verklaarde daarvan maar ongeveer een derde.

De pallet achterin is voor de directeur zo'n loterij. Er is 60.000 euro voor betaald, en het verkopen aan een opkoper voor 24.000 euro voelt als 36.000 euro weggooien. Dat de 60.000 euro al weg is, en dat de enige vraag is of 24.000 euro nu meer waard is dan wat de pallet de komende jaren opbrengt na aftrek van wat hij kost, is een som die wij zelden in een magazijn gemaakt zien. Wij zien bij handelsbedrijven dat de beslissing over dode voorraad elk jaar bij de telling wordt uitgesteld, met dezelfde reden: er is ruimte genoeg. Bij de bedrijven waar de hal net is uitgebreid, is dat argument het sterkst en de dode voorraad het grootst.

Rekenvoorbeeld: 1,8 miljoen euro voorraad, waarvan 396.000 euro niet beweegt

In dit rekenvoorbeeld heeft de groothandel een omzet van 8,0 miljoen euro en een brutomarge van 32 procent, dus een inkoopwaarde van de omzet van 5,44 miljoen euro. De voorraad van 1,8 miljoen euro draait daarmee 3,0 keer per jaar, en het bedrijf houdt gemiddeld 121 dagen voorraad aan. Van de 12.000 artikelnummers hebben er 3.240 in de laatste twaalf maanden geen verkoopregel gehad. Dat is 27 procent van de artikelnummers en 396.000 euro aan inkoopwaarde, 22 procent van de voorraad.

De rekening-courant staat vol. De bank rekent de 3-maands Euribor plus een opslag van 2,9 procentpunt; de 3-maands Euribor stond op 18 september 2026 op 2,62 procent (marktdata), dus het bedrijf betaalt afgerond 5,5 procent. Het magazijn kost met huur, energie, stellingen en onderhoud 60 euro per vierkante meter per jaar, 168.000 euro. Verzekering, telling, verplaatsen en het jaarlijkse gezeul bij de inventarisatie schat het bedrijf op 1,5 procent van de waarde. Voor de veroudering rekent het voorbeeld met 6 procent per jaar op de dode voorraad: het deel van de inkoopwaarde dat elk jaar verdwijnt doordat een artikel uit het assortiment van de fabrikant gaat, een norm verandert, de verpakkingseenheid wordt vervangen of de coating niemand meer interesseert.

Kostenpost op de 396.000 euro dode voorraadGrondslagPer jaarWaar hij in de administratie staat
Rente5,5 procent van de inkoopwaarde21.780 euroRentelasten, op de rekening-courant als geheel
Ruimte28 procent van de locaties, van 168.000 euro magazijnkosten47.040 euroHuisvestingskosten, voor het hele magazijn
Verzekering en handling1,5 procent van de inkoopwaarde5.940 euroVerzekeringen en loonkosten magazijn
Veroudering6 procent van de inkoopwaarde23.760 euroNergens, totdat er wordt afgewaardeerd
Totaal24,9 procent van 396.000 euro98.520 euro

De dode voorraad neemt in dit voorbeeld 28 procent van de locaties in tegen 22 procent van de waarde, omdat elk van de 3.240 artikelnummers minstens één locatie bezet houdt, ongeacht of er 2 euro of 200 euro per stuk in ligt. Daardoor is de ruimte de grootste post, groter dan de rente, en dat is bij de groothandels die wij zien de regel. Van de 98.520 euro staat 74.760 euro in de jaarrekening van het bedrijf, verdeeld over rente, huisvesting, verzekering en lonen, en drukt daar de winst met hetzelfde bedrag. De veroudering van 23.760 euro staat nergens, en die komt pas als de directeur besluit af te waarderen of te verkopen.

De groothandel maakt op 8,0 miljoen euro omzet in dit voorbeeld 380.000 euro winst voor belasting, en een kwart daarvan gaat op aan voorraad die het afgelopen jaar geen euro omzet heeft opgeleverd.

Wat het gemiddelde wegmiddelt

Het bedrijf uit het voorbeeld rekent voor zijn hele voorraad met 20 procent kosten van aanhouden, het gemiddelde dat Gurtu (2021) uit de literatuur haalt, en komt op 360.000 euro per jaar. Verdeeld in vier klassen naar omloopsnelheid ziet dezelfde voorraad er anders uit. Klasse A zijn de snelle lopers, B de gewone voorraad, C de langzame artikelen met minder dan één omloop per jaar, en D de artikelen zonder verkoop in twaalf maanden.

KlasseArtikelnummersInkoopwaardeOmloop per jaarDekking in maandenAandeel locatiesKosten van aanhouden per jaarAls percentage van de waarde
A: snelle lopers1.200 (10 procent)720.000 euro (40 procent)5,82,130 procent108.000 euro15,0 procent
B: gewone voorraad3.600 (30 procent)468.000 euro (26 procent)2,45,025 procent88.800 euro19,0 procent
C: langzame lopers3.960 (33 procent)216.000 euro (12 procent)0,6518,517 procent52.320 euro24,2 procent
D: geen verkoop in twaalf maanden3.240 (27 procent)396.000 euro (22 procent)0oneindig28 procent98.520 euro24,9 procent
Totaal12.0001.800.000 euro3,04,0100 procent347.640 euro19,3 procent

De rente is per klasse 5,5 procent van de waarde en de verzekering 1,5 procent; de ruimte is het aandeel locaties maal 168.000 euro; de veroudering is per klasse 1, 3, 4 en 6 procent van de waarde. Onderaan komt het bedrijf uit op 19,3 procent, vlak bij de 20 procent uit de literatuur. Per klasse loopt het van 15,0 tot 24,9 procent. Klasse A kost 108.000 euro per jaar en levert 4,18 miljoen euro aan inkoopwaarde van de omzet; tegenover de 98.520 euro van klasse D staat geen omzet. De klassen C en D samen bezetten 45 procent van de locaties met 34 procent van de waarde, en dragen 150.840 euro van de 347.640 euro kosten.

Teunter, Babai en Syntetos (2010) lieten in Production and Operations Management (peer reviewed) op drie grote datasets uit de praktijk zien dat de gebruikelijke ABC-indeling, op omzetwaarde of afzet met een vaste servicegraad per klasse, ver van de laagste kosten afzit, en dat een criterium dat ook de kritikaliteit van een artikel meeweegt beter presteert. Een indeling op omzet van het afgelopen jaar zet klasse D vanzelf onderaan de lijst en laat open hoeveel geld erin zit. Daar heb je de kolommen voorraad in stuks, inkoopwaarde, laatste verkoopdatum en dekking in maanden voor nodig, en die vier kolommen zitten in de ERP-pakketten die wij bij handelsbedrijven tegenkomen.

Opruimen of bewaren: de som per partij

De pallet bevestigingsmateriaal achterin heeft een inkoopwaarde van 60.000 euro en veertien maanden geen verkoopregel. Een opkoper biedt 40 procent, 24.000 euro, nu. De verkoopafdeling denkt dat de partij met een actieprijs van 65 procent van de inkoopwaarde in drie jaar weg is, elk jaar een derde.

Bewaren levert dan drie jaar lang 13.000 euro op, samen 39.000 euro. De kosten van aanhouden lopen intussen door tegen de 24,9 procent uit de eerste tabel, over een voorraad die van 60.000 euro naar nul zakt: gemiddeld 50.000 euro in het eerste jaar, 30.000 in het tweede en 10.000 in het derde, dus 12.450 plus 7.470 plus 2.490 is 22.410 euro. Netto houdt het bedrijf aan bewaren 39.000 min 22.410 is 16.590 euro over, verspreid over drie jaar. De opkoper betaalt 24.000 euro binnen dertig dagen. Het verschil is 7.410 euro in het voordeel van nu verkopen, en dan is de kans dat de partij in drie jaar niet weg is nog niet meegerekend.

Het omslagpunt: bewaren wint pas als de opkoper minder dan 16.590 gedeeld door 60.000 is 27,7 procent biedt, en alleen als de aanname van een derde per jaar klopt. Die aanname is in de sommen die wij bij klanten maken het zwakste deel. Van Jaarsveld en Dekker (2011) ontwikkelden in het International Journal of Production Economics (peer reviewed) een methode om het risico van incourantheid per groep artikelen te schatten uit wat er in het verleden met vergelijkbare groepen is gebeurd, op basis van vraagdata alleen, zonder het oordeel van een expert. De doe-het-zelf-versie daarvan staat in stap 4 hieronder: kijk wat er is gebeurd met de artikelen die twee jaar geleden ook al twaalf maanden stillagen. Bij de groothandels die wij zien, is daarvan na twee jaar minder dan de helft verkocht, en het grootste deel daarvan met korting.

Wat de jaarrekening en de fiscus toestaan

De jaarrekening stelt eisen aan de waarde waartegen die pallet op de balans staat. Artikel 2:387 van het Burgerlijk Wetboek (wettekst) schrijft in lid 2 voor dat vlottende activa worden gewaardeerd tegen actuele waarde als die op de balansdatum lager is dan de verkrijgingsprijs, en in lid 1 dat waardeverminderingen onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking worden genomen. Een partij die 60.000 euro heeft gekost en waarvoor een opkoper 24.000 euro biedt, hoort dus niet tegen 60.000 euro op de balans, ongeacht of het een goed jaar was.

De Belastingdienst (overheidsbron) legt de lat fiscaal anders en schrijft dat je voorraad normaal gesproken tegen kostprijs waardeert, dat je alleen voor incourante goederen een lagere waarde mag nemen, en dat je het verschil tussen de kostprijs en die lagere waarde dan als kosten mag aangeven. Incourant omschrijft de Belastingdienst als moeilijk te verhandelen, en voor textiel, kleding, meubelen en stoffering gelden daarbij vaste percentages. Voor een technische groothandel geldt geen vast percentage; de waardering valt onder goed koopmansgebruik met een bestendige gedragslijn (artikel 3.25 Wet IB 2001), dus wie dit jaar begint met afwaarderen, doet dat volgend jaar op dezelfde manier.

In het rekenvoorbeeld verlaagt een afwaardering van 60.000 naar 24.000 euro de fiscale winst met 36.000 euro. De vennootschapsbelasting kent in 2026 twee tarieven, 19 procent tot 200.000 euro winst en 25,8 procent daarboven; bij een winst van 380.000 euro valt de afwaardering in het hoge tarief, dus de vennootschapsbelasting over dat jaar valt 9.288 euro lager uit. Dat voordeel is tijdelijk: verkoopt het bedrijf de partij later alsnog voor 39.000 euro, dan is de belastbare winst in die jaren hoger. De afwaardering verschuift belasting van nu naar later, en bij een bedrijf met een volle rekening-courant scheelt dat uitstel elk jaar 5,5 procent rente over 9.288 euro.

Wij geven geen belastingadvies en geen juridisch advies; wat hierboven staat, is wat de wet en de Belastingdienst schrijven. Vraag je belastingadviseur en je accountant welke onderbouwing zij nodig hebben om een artikelgroep als incourant aan te merken, of een systematische afwaardering per klasse (bijvoorbeeld een percentage per maand zonder verkoop) als bestendige gedragslijn wordt geaccepteerd, hoe de afwaardering in de jaarrekening en in de aangifte van elkaar mogen verschillen, en wat er gebeurt met de afwaardering als een deel van de partij later toch tegen kostprijs wordt verkocht.

Wat acceptabel is en op welk moment

Wij kennen geen magazijn zonder dode voorraad. Een groothandel die alles op voorraad heeft en dezelfde dag levert, koopt daarvoor artikelen in die soms een jaar wachten, en een leverancier die 500 stuks als minimum hanteert, zorgt ervoor dat een artikel dat 80 keer per jaar verkoopt zes jaar voorraad oplevert.

MomentWat er dan bekend moet zijnWat wij bij klanten als werkbaar zienSignaal dat het misgaat
Bij de inkooporderDe dekking in maanden van de bestelde hoeveelheid, op basis van de verkoop van de laatste twaalf maandenKlasse A en B onder de 6 maanden dekking; een bewuste uitzondering voor een leverancier met een minimum, met het bedrag erbijEen bestelvoorstel dat blindelings wordt goedgekeurd, of een korting die de reden voor de hoeveelheid is
Elke maandPer klasse de omloopsnelheid en het aantal artikelen dat sinds de vorige maand naar klasse C of D is verschovenHooguit 1 procent van de waarde per maand van B naar C; nieuwe artikelen zonder verkoop na zes maanden op een aparte lijstDe lijst wordt één keer per jaar bij de telling gemaakt
Elk kwartaalDe lijst van artikelen met twaalf maanden zonder verkoop, met aantal stuks, inkoopwaarde, laatste verkoopdatum en het bod van een opkoper of de retourregeling van de leverancierPer partij een beslissing: prijs omlaag, retour, opkoper of afwaarderen; klasse D onder de 8 procent van de voorraadwaardeKlasse D boven de 15 procent van de waarde, of een lijst zonder beslissingen
Bij de jaarafsluitingDe waardering per klasse volgens artikel 2:387 BW en de fiscale afwaardering met onderbouwing, afgestemd met accountant en belastingadviseurKlasse D op de balans tegen de verwachte opbrengst; in het voorbeeld 24.000 euro voor de pallet, tegen 60.000 euro kostprijsAlles tegen kostprijs, en een accountant die er niets over zegt omdat niemand hem de lijst heeft gegeven

Het moment dat het meeste oplevert, is de inkooporder, omdat de 396.000 euro in het voorbeeld daar is ontstaan. De grens van 8 procent voor klasse D is onze eigen ervaring bij technische groothandels met een breed assortiment; wie eigen merken importeert op containerbasis zit er structureel boven, en de grens is dan de trend en het bedrag per kwartaal.

Babai, Dallery, Boubaker en Kalai (2019) beschrijven in het International Journal of Production Economics (peer reviewed) dat de gangbare prognosemethoden voor onregelmatige vraag, zoals die van Croston, de verwachting in perioden zonder vraag niet naar beneden bijstellen wanneer een artikel incourant raakt; hun aangepaste methode presteerde in een simulatie en op twee datasets, uit de defensie en de auto-industrie, in veel gevallen met incourantheid beter. Het bestelsysteem werkt daardoor tegen: het bestelvoorstel blijft voorstellen om klasse C bij te bestellen, ook als de laatste verkoop acht maanden geleden was. Wij zien bij bedrijven waar de inkoper het bestelvoorstel per regel doorloopt dat klasse D vooral uit artikelen bestaat die twee of drie keer zijn bijbesteld nadat de vraag al was weggevallen.

Hoe je de dode voorraad in je eigen magazijn in kaart brengt

De zuivere methode volgt Gurtu (2021) en Berling (2008): per artikel een eigen kostenvoet, opgebouwd uit rente over de inkoopwaarde, de werkelijke locatiekosten, de handling per pick en een verouderingspercentage per artikelgroep dat uit de eigen geschiedenis komt, zoals Van Jaarsveld en Dekker (2011) dat per groep schatten. Daar hoort een maandelijkse rapportage bij die per klasse laat zien wat erin en eruit is gegaan, en een beslisregel per partij. Het inrichten daarvan in het ERP-pakket en het volhouden ervan is werk dat wij bij onze klanten doen, en waar wij dus ook ons geld mee verdienen.

De doe-het-zelf-variant kost een middag met een export uit het ERP-pakket en geeft de eerste tabel van dit artikel voor je eigen magazijn.

Stap 1: exporteer per artikelnummer de voorraad in stuks, de inkoopprijs, de verkoop in stuks van de laatste twaalf maanden en de datum van de laatste verkoopregel. Vermenigvuldig voorraad met inkoopprijs; dat is de inkoopwaarde per artikel. In het voorbeeld: 12.000 regels, samen 1,8 miljoen euro. Wie de inkoopprijs op de factuur van de leverancier gebruikt, rekent te laag; hoe de vracht, het invoerrecht, de valuta en de inslag in die prijs horen, staat in Waarom een importerende groothandel 39 procent marge ziet op een artikel dat na vracht, invoerrecht en valuta 25 procent oplevert.

Stap 2: bereken per artikel de dekking in maanden: voorraad gedeeld door de verkoop per maand. Deel in vier klassen in: dekking onder de 3 maanden, 3 tot 9 maanden, meer dan 9 maanden met nog wel verkoop in het afgelopen jaar, en geen verkoop in twaalf maanden. Tel per klasse het aantal artikelen en de inkoopwaarde. In het voorbeeld komt klasse D op 3.240 artikelen en 396.000 euro.

Stap 3: vul de vier kostenposten in. Rente: het tarief van je rekening-courant maal de inkoopwaarde per klasse. Ruimte: tel de locaties per klasse en deel de totale magazijnkosten daarover. Verzekering en handling: het tarief van je verzekering plus een schatting van de uren voor telling en verplaatsen. Veroudering: begin met 1, 3, 4 en 6 procent voor de vier klassen, zoals in het voorbeeld, en vervang die zodra stap 4 je eigen getallen geeft.

Stap 4: neem de lijst van artikelen die twee jaar geleden geen verkoop hadden in twaalf maanden, en kijk wat er sindsdien mee is gebeurd: welk deel is verkocht, tegen welke prijs, welk deel is afgevoerd of geretourneerd, en welk deel ligt er nog. Dat percentage is je eigen verouderingsvoet voor klasse D, en de opbrengst als percentage van de inkoopwaarde is het getal dat je in de som per partij invult. Heb je die lijst van twee jaar geleden niet, bewaar dan die van vandaag; over een jaar heb je het eerste meetpunt.

Stap 5: sorteer klasse D op inkoopwaarde en maak voor de bovenste twintig partijen de som uit de sectie hierboven: bod van een opkoper of retourwaarde bij de leverancier nu, tegenover de verwachte opbrengst later min de kosten van aanhouden over de resterende voorraad. In het voorbeeld dekken de twintig grootste partijen ruim de helft van de 396.000 euro.

Wie dit heeft gedaan, weet wat de dode voorraad per jaar kost, en heeft voor de grootste partijen een getal waarmee de beslissing bij de volgende telling in een kwartier is genomen. De maandelijkse rapportage per klasse, die laat zien welke artikelen onderweg zijn naar klasse D, komt daarna.

Wanneer dit rekenvoorbeeld niet opgaat

Het model gaat uit van een groothandel met een breed assortiment, een eigen magazijn dat vol staat, een rekening-courant die wordt gebruikt en een veroudering van 6 procent per jaar op klasse D.

Een bedrijf met een leeg magazijn dat het eigendom is van de DGA, heeft geen huur die verandert als klasse D verdwijnt. De ruimtekosten zijn er dan wel, als afschrijving, energie, onderhoud en belasting, maar ze dalen niet als een deel van de 3.240 locaties vrijkomt. In het voorbeeld valt de grootste post van 47.040 euro dan grotendeels weg, en blijft er 51.480 euro over, 13 procent. De som per partij verandert daardoor: de kosten van aanhouden over drie jaar zakken van 22.410 naar 11.700 euro, en bewaren levert dan 27.300 euro op tegenover het bod van 24.000 euro. Zodra het bedrijf groeit en de vrijgekomen ruimte nodig heeft voor artikelen die wel draaien, komt de post terug.

Bij een bedrijf zonder bankschuld is de rentevoet wat het geld elders had opgeleverd. Bij een DGA die het op een spaarrekening zet, is dat minder dan 5,5 procent, en het wordt meer zodra het bedrijf een investering uitstelt omdat het geld in de voorraad zit.

Een servicebedrijf dat onderdelen aanhoudt voor machines die bij klanten draaien, heeft klasse D met opzet. Een onderdeel dat één keer in vijf jaar nodig is en waarvan het ontbreken een klant een dag stilzet, kost 24,9 procent per jaar en is dat waard. Daar is de vraag welk deel van klasse D bewust is en welk deel per ongeluk, en Van Jaarsveld en Dekker (2011) schreven hun methode voor die situatie, met service-onderdelen als casus.

De veroudering van 6 procent per jaar is voor bevestigingsmateriaal in staal aan de hoge kant; elektronica, verlichting, gereedschap met accu's en alles wat onder een norm of een richtlijn valt, veroudert sneller. Een groothandel in verpakkingen die zag hoe een richtlijn een hele artikelgroep in één keer onverkoopbaar maakte, rekent voor die groep met 100 procent.

Hoe je de kosten van dead stock bij een groothandel omlaag krijgt

Bereken per klasse de kosten van aanhouden met de vijf stappen hierboven, en zet het bedrag van klasse D in de maandrapportage naast de brutomarge. In het voorbeeld is dat 98.520 euro per jaar op 380.000 euro winst voor belasting.

Bij elke inkooporder hoort de dekking in maanden op het scherm, en een bestelvoorstel voor een artikel met een laatste verkoop van meer dan zes maanden geleden gaat er niet doorheen zonder dat iemand ernaar heeft gekeken. Babai en collega's (2019) laten zien waarom het systeem dat zelf niet doet.

Maak elk kwartaal de lijst van artikelen zonder verkoop in twaalf maanden, en beslis per partij. In het voorbeeld is de som voor de pallet van 60.000 euro: 24.000 euro nu tegenover 16.590 euro over drie jaar, een verschil van 7.410 euro.

Arkes en Blumer (1985) beschreven waarom wie de investering heeft gedaan, de kans op verkoop hoger inschat; laat de beslissing over de grootste partijen daarom door iemand anders nemen dan degene die ze heeft ingekocht. Wij zien bij groothandels dat een lijst die door de inkoper wordt beoordeeld, elk kwartaal even lang blijft.

Bij de groothandels die wij zien, is de retourregeling van de leverancier de goedkoopste uitweg en de minst gebruikte: de meeste leveranciers kennen een terugnameregeling voor courante artikelen tegen een percentage van de inkoopprijs, en die regeling verloopt vaak na twaalf of achttien maanden. Wie de lijst per kwartaal maakt, haalt die termijn; bij de jaarlijkse telling is hij meestal al verstreken.

Waardeer klasse D af in de jaarrekening volgens artikel 2:387 BW en bespreek met je belastingadviseur welke onderbouwing de fiscale afwaardering nodig heeft. In het voorbeeld scheelt dat 9.288 euro vennootschapsbelasting in het jaar van de afwaardering, en de vragen daarvoor staan in de sectie over de fiscus.

Neem de vrijgekomen ruimte en het vrijgekomen geld mee in de kasprognose. In het voorbeeld levert het opruimen van de twintig grootste partijen ruim 200.000 euro inkoopwaarde aan verkoop of retour op, tegen 30 tot 40 procent is dat 60.000 tot 80.000 euro kas, en de locaties van die partijen komen vrij voor artikelen die wel draaien. Wat rente over werkkapitaal een groothandel kost bij het huidige tarief, staat in Wat de renteverhoging van de ECB een technische groothandel kost die zijn klanten 52 dagen laat betalen. Welk deel van je assortiment het resultaat draagt en welk deel het opeet, staat in Het Pareto-principe is ook een risicometer voor je bedrijf, en waarom een groeiend handelsbedrijf zonder geld komt te zitten terwijl het winst maakt, in Waarom een winstgevend MKB-bedrijf toch vastloopt op cashflow.

Veelgestelde vragen over dead stock en incourante voorraad bij een groothandel

Wat kost het om voorraad aan te houden?

In de literatuur die Gurtu (2021) aanhaalt, wordt ongeveer 20 procent van de inkoopwaarde per jaar aangenomen, met een bandbreedte van 16 tot 20 procent. In het rekenvoorbeeld komt een technische groothandel op 19,3 procent over de hele voorraad, opgebouwd uit 5,5 procent rente, de magazijnkosten verdeeld over de locaties, 1,5 procent verzekering en handling en een veroudering van 1 tot 6 procent per klasse. Per klasse loopt het uiteen van 15,0 procent op de snelle lopers tot 24,9 procent op de artikelen die twaalf maanden niet bewegen.

Hoe bereken ik de kosten van dead stock?

Tel de inkoopwaarde op van alle artikelen zonder verkoopregel in de laatste twaalf maanden, en reken daarover vier posten: het rentetarief van je rekening-courant, de magazijnkosten naar het aandeel locaties dat die artikelen bezetten, verzekering en handling, en een verouderingspercentage uit je eigen geschiedenis. In het voorbeeld: 396.000 euro maal 5,5 procent rente is 21.780, plus 28 procent van 168.000 euro magazijnkosten is 47.040, plus 1,5 procent is 5.940, plus 6 procent veroudering is 23.760, samen 98.520 euro per jaar.

Wanneer moet ik incourante voorraad afboeken?

In de jaarrekening zodra de actuele waarde op de balansdatum lager is dan de verkrijgingsprijs; artikel 2:387 lid 2 BW schrijft dat voor, en lid 1 zegt dat dit onafhankelijk van het resultaat van het jaar gebeurt. Fiscaal mag je volgens de Belastingdienst alleen voor incourante goederen een lagere waarde nemen dan de kostprijs, met een onderbouwing en een bestendige gedragslijn. Welke onderbouwing jouw situatie vraagt, is een vraag voor je belastingadviseur; wij geven geen belastingadvies.

Hoeveel procent van mijn voorraad mag dead stock zijn?

Wij zien bij technische groothandels met een breed assortiment dat minder dan 8 procent van de voorraadwaarde zonder verkoop in twaalf maanden werkbaar is, en dat het probleem boven de 15 procent in het inkoopproces zit. In het rekenvoorbeeld zit het bedrijf op 22 procent. Een importeur van eigen merken die op containerbasis inkoopt, zit structureel hoger, en dan zegt de trend per kwartaal meer dan het percentage.

Hoe bereken ik de omloopsnelheid per artikelgroep?

Deel de inkoopwaarde van de verkoop in twaalf maanden door de gemiddelde inkoopwaarde van de voorraad van die groep. In het voorbeeld draait klasse A 5,8 keer per jaar en klasse C 0,65 keer; over het hele magazijn is het 3,0. De dekking in maanden is de omgekeerde som: 12 gedeeld door de omloopsnelheid, dus 2,1 maanden voor klasse A en 18,5 maanden voor klasse C. Voor de vraag welk artikel je moet opruimen, is de laatste verkoopdatum per artikel een betere kolom dan de omloopsnelheid van de groep.

Is het slimmer om incourante voorraad met korting te verkopen of te bewaren?

Reken het per partij uit: het bod van nu tegenover de verwachte opbrengst later min de kosten van aanhouden over de resterende voorraad. In het voorbeeld levert een partij van 60.000 euro bij een opkoper 24.000 euro nu op, en bij bewaren 39.000 euro over drie jaar min 22.410 euro kosten van aanhouden, 16.590 euro. Bewaren wint pas bij een bod onder de 27,7 procent, en alleen als de aanname dat de partij in drie jaar weg is, klopt. Bij de groothandels die wij zien, is van de artikelen die twaalf maanden stillagen na twee jaar minder dan de helft verkocht.

Mag ik incourante voorraad fiscaal afwaarderen?

Volgens de Belastingdienst mag je alleen voor incourante goederen een lagere waarde nemen dan de kostprijs, en het verschil als kosten aangeven; voor textiel, kleding, meubelen en stoffering gelden vaste percentages. In het voorbeeld verlaagt een afwaardering van 36.000 euro de vennootschapsbelasting in dat jaar met 9.288 euro bij het tarief van 25,8 procent boven 200.000 euro winst, en komt die belasting terug zodra de partij later voor meer dan de afgewaardeerde waarde wordt verkocht. Of jouw onderbouwing volstaat en hoe je de bestendige gedragslijn inricht, bespreek je met je belastingadviseur.

Waarom stel ik het opruimen van oude voorraad steeds uit?

Arkes en Blumer (1985) lieten zien dat mensen iets waar al geld in zit, eerder voortzetten, uit de wens niet verspillend over te komen, en dat wie heeft geïnvesteerd de kans op succes hoger inschat. Ronayne, Sgroi en Tuckwell (2021) vonden dat 23 procent van de deelnemers aan een experiment vasthield aan een verdiende loterij terwijl er een betere voor het oprapen lag. Een pallet van 60.000 euro voor 24.000 euro verkopen voelt als 36.000 euro weggooien; de som laat zien dat bewaren in het voorbeeld 7.410 euro meer kost. De praktische remedie: laat de lijst beoordelen door iemand die de inkoop niet heeft gedaan.

Meer lezen: Waarom een importerende groothandel 39 procent marge ziet op een artikel dat na vracht, invoerrecht en valuta 25 procent oplevert, Waarom een hardwarereseller bij stijgende geheugenprijzen belasting betaalt over winst die hij niet heeft, Wat de renteverhoging van de ECB een technische groothandel kost die zijn klanten 52 dagen laat betalen en Het Pareto-principe is ook een risicometer voor je bedrijf.

← Terug naar kennisbank