Samenvatting
Een sauzenproducent groeit van 6,5 naar 8 miljoen euro omzet, maakt 400.000 euro nettowinst en eindigt het jaar met 60.869 euro minder op de bank dan hij begon. Het verschil zit in zeven regels die samen de indirecte kasstroommethode vormen en die in de jaarrekening van een kleine bv nergens bij elkaar staan: afschrijving, debiteuren, voorraad, crediteuren, investeringen, aflossing en de belasting die je pas volgend jaar betaalt. Uit eigen kas kan dit bedrijf 18 procent groeien; het groeide 23 procent, en de 329.396 euro omzet boven die grens kostte precies de 60.869 euro.
De accountant schuift de jaarrekening over tafel. Nettowinst 400.000 euro, het beste jaar ooit. De DGA opent op zijn telefoon de bankapp. Het saldo staat 60.869 euro lager dan op dezelfde dag een jaar eerder, en in april was de rekening-courant tot de limiet gebruikt. Zijn eerste verklaring is dat de supermarkten te laat betalen. De supermarkten betalen na 50 dagen, net als vorig jaar. De omzet waarover die 50 dagen lopen is 1,5 miljoen euro hoger, en de afvullijn van 350.000 euro is in maart betaald.
De afstand tussen de winst over een jaar en het geld dat na dat jaar op de rekening staat, is een optelsom van zeven regels die je in een kwartier zelf kunt maken. Die optelsom heet de indirecte kasstroommethode. Voor een kleine bv hoeft hij niet in de jaarrekening, en wij zien dat ondernemers hem daardoor zelden onder ogen krijgen. Wij verdienen aan gesprekken over deze som, dus lees de conclusies met dat in het achterhoofd.
Waarom de jaarrekening van een kleine bv de brug van winst naar kas niet laat zien
De wet omschrijft de jaarrekening als de balans en de winst-en-verliesrekening met de toelichting. Een kasstroomoverzicht staat niet in die definitie, zo blijkt uit artikel 2:361 en 2:396 van het Burgerlijk Wetboek, overheidsbron. Een bv die op twee opeenvolgende balansdata onder twee van de drie wettelijke grenzen blijft, waaronder 15 miljoen euro netto-omzet en 50 werknemers, is klein. De verplichting om een kasstroomoverzicht op te nemen komt uit de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ 360) en geldt vanaf het regime middelgroot, zo beschrijft Bosch (2025) in Accountant, vakblad. Het bedrijf in dit artikel, met 8 miljoen euro omzet en 45 medewerkers, valt daar buiten.
Dechow, Kothari en Watts (1998), peer reviewed, bouwen een model waarin het verschil tussen winst en kasstroom uitsluitend via werkkapitaalposten loopt, met debiteuren en voorraad aan de ene kant en crediteuren aan de andere. Zij concluderen dat winst de toekomstige operationele kasstroom beter voorspelt dan de huidige kasstroom, en dat dit verschil meebeweegt met de operating cash cycle. In de Engelstalige literatuur heet dit verschil cash flow versus profit: debiteuren en voorraad min de crediteuren zijn het working capital, en wat na investeringen en aflossing overblijft is de free cash flow. Voor de ondernemer met een kleine bv is de vraag eenvoudiger. Zijn jaarrekening bevat alleen de winst, en het verschil tussen winst en kasstroom is in dit voorbeeld 460.869 euro.
Het rekenvoorbeeld: van 400.000 euro winst naar 60.869 euro minder kas
In dit rekenvoorbeeld maakt een producent van sauzen en dressings, grotendeels private label voor supermarkten en foodservice-groothandels, in het afgelopen jaar 8 miljoen euro omzet. Het jaar ervoor was dat 6,5 miljoen. De groei is 1,5 miljoen euro, 23,1 procent. De winst-en-verliesrekening:
| Post | Bedrag in euro |
|---|---|
| Omzet | 8.000.000 |
| Grondstoffen en verpakking (60 procent) | 4.800.000 |
| Personeel | 1.600.000 |
| Overige bedrijfskosten (energie, huur, onderhoud, transport) | 760.000 |
| EBITDA | 840.000 |
| Afschrijving | 280.000 |
| Rente en bankkosten | 39.245 |
| Winst voor belasting | 520.755 |
| Vennootschapsbelasting (19 procent over 200.000, 25,8 procent over 320.755) | 120.755 |
| Nettowinst | 400.000 |
De tarieven zijn die van de Belastingdienst voor 2026, overheidsbron: 19 procent tot en met 200.000 euro en 25,8 procent daarboven. De nettomarge in dit voorbeeld is 5 procent. De EBITDA van 840.000 euro komt in dit jaar niet als geld binnen: na werkkapitaal, investering, aflossing en belasting staat er 60.869 euro minder op de bank dan aan het begin van het jaar.
Het bedrijf wordt door supermarkten en groothandels gemiddeld na 50 dagen betaald (DSO 50). Het houdt 55 dagen inkoopwaarde op voorraad, van grondstoffen tot gereed product (DIO 55). Zelf betaalt het zijn leveranciers na 30 dagen (DPO 30). Die dagen waren vorig jaar hetzelfde; alleen de omzet groeide. Over de verkoop rekent het 9 procent btw, het tarief dat de Belastingdienst, overheidsbron, hanteert voor voedingsmiddelen. Over verpakking betaalt het 21 procent. In het jaar is een nieuwe afvullijn van 350.000 euro geplaatst, betaald uit eigen middelen. Op de bestaande banklening is 150.000 euro afgelost. De DGA heeft geen dividend opgenomen.
De brug van winst naar kas volgens de indirecte kasstroommethode, bedragen in euro:
| Regel | Bedrag in euro | Stand na deze regel in euro |
|---|---|---|
| Nettowinst | 400.000 | 400.000 |
| Afschrijving erbij (kost dit jaar geen geld) | plus 280.000 | 680.000 |
| Toename debiteuren eraf (970.548 naar 1.194.521) | min 223.973 | 456.027 |
| Toename voorraad eraf (587.671 naar 723.288) | min 135.617 | 320.410 |
| Toename crediteuren erbij (357.090 naar 439.496) | plus 82.406 | 402.816 |
| Investering afvullijn eraf | min 350.000 | 52.816 |
| Aflossing banklening eraf | min 150.000 | min 97.184 |
| Belasting: 120.755 ten laste van het jaar, 84.440 betaald | plus 36.315 | min 60.869 |
De bankrekening eindigt 60.869 euro lager dan hij begon. De winst van 400.000 euro is er wel. Hij zit in de debiteuren (223.973 euro), in de voorraad (135.617 euro), in de afvullijn (350.000 euro) en in de aflossing aan de bank (150.000 euro). Tegenover die 859.590 euro aan uitgaande posten staat 798.721 euro aan inkomende: de winst, de afschrijving, het extra leverancierskrediet en de belastingschuld.
Wat elke regel van de brug doet, en waar hij in de jaarrekening staat
De afschrijving is het makkelijkste geval. De 280.000 euro is een kostenpost over machines die in eerdere jaren zijn betaald, dus hij komt terug bij de winst. De regel eronder, de investering van 350.000 euro, is het spiegelbeeld: dat geld is dit jaar wel uitgegeven en staat nergens in de winst-en-verliesrekening. In de jaarrekening zie je alleen dat de materiële vaste activa met 70.000 euro zijn gestegen (350.000 erbij, 280.000 eraf). Hoe diep de kasdip van een investering in het eerste jaar gaat, staat in wat een machine in jaar één met de kas doet.
De debiteuren zijn de grootste post. Elke euro omzet staat gemiddeld 50 dagen open, inclusief 9 procent btw, en bij 8 miljoen euro omzet is dat 1.194.521 euro. Vorig jaar, bij 6,5 miljoen, was het 970.548 euro. Het verschil van 223.973 euro is omzet die al in de winst zit en nog niet op de bank staat. Voor een leverancier van levensmiddelen zijn die dagen begrensd. Volgens de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen, overheidsbron, handelt een afnemer onrechtmatig als hij bederfelijke producten later dan 30 dagen na de leveringstermijn betaalt, en andere landbouw- en voedingsproducten later dan 60 dagen na de leveringsdatum. Het bedrijf in het voorbeeld zit met 50 dagen binnen die 60.
De voorraad werkt hetzelfde. Alles wat er ligt, van grondstoffen tot gereed product, is bij 55 dagen en 4,8 miljoen euro inkoop 723.288 euro waard. De groei vroeg daar 135.617 euro extra voor. Die euro's zijn betaald aan leveranciers en komen pas terug als het product verkocht en de factuur betaald is. Hoe die twee posten samen de kasconversiecyclus vormen, en wat er gebeurt als er invoer bij komt, staat in de kasconversiecyclus van een importerende groothandel.
De crediteuren zijn de enige werkkapitaalpost die bij groei geld oplevert. Meer inkoop betekent meer facturen die nog niet betaald zijn, in het voorbeeld 82.406 euro extra leverancierskrediet. Dat dekt bijna een kwart van de extra debiteuren en voorraad samen (359.590 euro). Per saldo kost elke euro extra omzet in dit voorbeeld 18,5 cent werkkapitaal: 277.184 euro op 1,5 miljoen euro groei.
De aflossing van 150.000 euro staat op de balans, waar de lening kleiner wordt. In de winst-en-verliesrekening staat alleen de rente van 39.245 euro. Een bedrijf dat 750.000 euro in vijf jaar aflost, ziet elk jaar 150.000 euro van zijn winst naar de bank gaan zonder dat die ergens als kosten verschijnt.
De belasting is de regel die in onze gesprekken het vaakst verrast, omdat hij dit jaar geld oplevert. De voorlopige aanslag vennootschapsbelasting komt volgens de Belastingdienst, overheidsbron, aan het begin van het jaar en is een voorlopige berekening op basis van gegevens van vorige jaren. Hij mag in gelijke maandelijkse termijnen worden betaald, met 31 december als uiterste datum voor het geheel. In het voorbeeld was de winst vorig jaar 380.000 euro voor belasting, dus de voorlopige aanslag over dit jaar was 84.440 euro. De werkelijke belasting over dit jaar is 120.755 euro. Het verschil van 36.315 euro staat als schuld op de balans en wordt betaald na de aangifte, dus volgend jaar. Volgend jaar komt daar de nieuwe voorlopige aanslag bij, die dan op de winst van dit jaar wordt gebaseerd: 120.755 euro. Samen is dat 157.070 euro belasting in één kalenderjaar, 72.630 euro meer dan dit jaar, over een winst die al is uitgegeven aan debiteuren en voorraad. Hoe die vertraging in een verliesjaar de andere kant op werkt, staat in de voorlopige aanslag in een verliesjaar.
Hoe snel kun je groeien zonder extra bankkrediet: de groeigrens van 18 procent
Higgins (1977), peer reviewed, publiceerde in Financial Management de sustainable growth rate. In de gangbare formulering is dat de omzetgroei die een bedrijf kan volhouden zonder nieuw eigen vermogen aan te trekken en met een gelijkblijvende verhouding tussen schuld en eigen vermogen. De bank groeit in die formule mee: bij elke euro extra eigen vermogen uit ingehouden winst leent het bedrijf er naar rato bij. Churchill en Mullins (2001) beschrijven in Harvard Business Review, vakblad, de variant zonder die aanname. Hun self-financeable growth rate is de groei die een bedrijf uit zijn eigen kasstroom kan betalen, bepaald door de operating cash cycle en door de kas die per euro omzet vastzit tegenover de kas die per euro omzet vrijkomt. Zij schrijven dat een winstgevend bedrijf dat te snel wil groeien zonder geld kan komen te zitten, ook als zijn producten een groot succes zijn.
Het bedrijf in het voorbeeld heeft dit jaar 716.315 euro kas uit de bedrijfsvoering vóór werkkapitaal: de winst en de afschrijving samen 680.000 euro, plus de 36.315 euro belasting die pas volgend jaar weg is. Daarvan liggen 350.000 euro investering en 150.000 euro aflossing vast, zodat er 216.315 euro overblijft voor werkkapitaal. Bij 18,5 cent per euro extra omzet (afgerond 0,1848) draagt dat 1.170.604 euro groei, 18,0 procent van de 6,5 miljoen euro van vorig jaar. Het bedrijf groeide 1,5 miljoen, 23,1 procent. De 329.396 euro omzet boven de grens kostte 60.869 euro kas, en dat is het bedrag dat de rekening-courant heeft gevuld. Bij een DSO van 45 dagen in plaats van 50 was de grens 19,6 procent geweest.
Wie in de Higgins-variant rekent, komt hoger uit. Bij 1,6 miljoen euro eigen vermogen aan het begin van het jaar is het rendement op eigen vermogen 25 procent, en zonder dividend geeft de formule een houdbare groei van 33 procent. Het verschil met de 18 procent hierboven is de bank. Higgins rekent met een lening die meegroeit; het bedrijf in het voorbeeld loste 150.000 euro af en kreeg geen nieuwe limiet. Het gat tussen 33 en 18 procent is een financieringskeuze die in het voorbeeld niemand bewust heeft gemaakt. Baños-Caballero, García-Teruel en Martínez-Solano (2014), peer reviewed, vinden bij Britse niet-financiële ondernemingen een optimaal werkkapitaalniveau dat lager ligt voor bedrijven die waarschijnlijk financieel beperkt zijn. Voor een bv van 8 miljoen euro met een vaste kredietlimiet betekent dat: dezelfde 50 debiteurendagen die een concurrent met een ruimere bank kan dragen, zijn voor dit bedrijf te veel. Was de betaaltermijn naar de wettelijke 60 dagen gekropen, dan was de groeigrens 15,5 procent geweest.
Dat de omzet in euro's harder groeit dan in kilo's, maakt de som niet kleiner. Het Centraal Planbureau, overheidsbron, raamt in de Macro Economische Verkenning van 15 september 2026 de inflatie voor 2026 op 3,3 procent en voor 2027 op 2,7 procent. Een producent die zijn grondstofprijzen doorberekent en daardoor 3 procent meer omzet draait bij dezelfde afzet, heeft daar 3 procent meer debiteuren en voorraad bij, tegen een marge die niet meebeweegt.
Wat het jaarcijfer wegmiddelt: april
De brug hierboven vergelijkt twee balansdata, 31 december tegen 31 december. Daartussen ligt een jaar waarin de kas dieper is geweest dan 60.869 euro. In dit rekenvoorbeeld bouwt de producent in maart en april voorraad op voor het barbecueseizoen. De voorraad loopt dan op naar 75 dagen inkoopwaarde, 986.301 euro, 263.013 euro boven het jaareindeniveau van 723.288 euro. Dat geld is in april betaald aan leveranciers en komt pas in juli en augustus terug via de debiteuren.
Daar komt de btw op de afvullijn bij: 21 procent over 350.000 euro is 73.500 euro, betaald bij de factuur in maart en teruggevraagd in de btw-aangifte over het eerste kwartaal. Die aangifte wordt volgens de Belastingdienst, overheidsbron, uiterlijk op de laatste dag van de maand na het kwartaal gedaan. Een kwartaalaangever heeft dat geld dus op zijn vroegst in mei terug. In april staat de rekening-courant in dit voorbeeld 336.513 euro dieper dan het jaarcijfer laat zien.
Wat acceptabel is, en op welk moment je dat weet
De brug levert vier toetsen op, elk met een eigen moment in het jaar. De grenzen in de derde kolom zijn wat wij bij klanten als werkbaar hanteren:
| Toets | Wat je vergelijkt | Werkbare grens (onze ervaring) | Wanneer je het weet |
|---|---|---|---|
| Groeigrens | De geplande omzetgroei tegen de self-financeable growth rate (hier 18 procent tegen 23 procent) | Groei onder de grens, of een kredietafspraak voor het verschil vóór het jaar begint | Bij de begroting, in november of december |
| Werkkapitaal per euro omzet | Het saldo van de werkkapitaalposten gedeeld door de omzet (hier 18,5 cent) | Gelijk of dalend ten opzichte van vorig jaar; stijgt hij, dan zijn de dagen opgelopen | Elk kwartaal, uit de saldibalans |
| Investering tegen afschrijving | De investeringen van het jaar tegen de afschrijving (hier 350.000 tegen 280.000) | Het verschil past in de kas uit de bedrijfsvoering na aflossing, anders hoort er een lening naast | Bij de investeringsbeslissing |
| Belastingschuld | Werkelijke belasting over het jaar tegen de betaalde voorlopige aanslag (hier 120.755 tegen 84.440) | Het verschil staat gereserveerd, en de voorlopige aanslag van volgend jaar staat in de kasplanning | Bij de tussentijdse cijfers van het derde kwartaal |
De eerste toets is de belangrijkste, en wij zien hem het minst gedaan worden. Een begroting die 23 procent groei plant met 5 procent nettomarge, is een begroting die 60.869 euro kas tekortkomt, en dat getal is in november al te berekenen.
Wanneer dit verhaal niet opgaat
Voor een bedrijf met 1,2 miljoen euro op de bank en geen krediet is de brug alleen een verklaring: de kas daalt met 60.869 euro naar 1.139.131 euro, en de winst zit in activa die volgend jaar geld opleveren. Had het bedrijf de afvullijn met een lening van 280.000 euro gefinancierd, dan was de kas dit jaar met 219.131 euro gestegen, als de eerste aflossing pas volgend jaar valt. De brug krijgt dan een achtste regel, opgenomen leningen erbij, en het probleem verschuift naar de aflossing in de jaren erna.
Het model gaat ook uit van groei. Bij een omzet die terugvalt van 8 naar 7 miljoen euro komt in dit voorbeeld 184.790 euro werkkapitaal vrij, en de kas verbetert terwijl de winst zakt. Zodra de omzet weer aantrekt, moet dat werkkapitaal in één keer terug.
Dividend zit niet in de som. Had de DGA in het voorbeeld 100.000 euro uitgekeerd, dan was de kas met 160.869 euro gedaald, bij dezelfde winst en dezelfde groei. De dividendregel hoort in de brug, en in de kasplanning van april.
En het rekent met vaste dagen. Een producent die een grote retailklant binnenhaalt met 60 dagen betaaltermijn en tegelijk een nieuwe verpakkingslijn op voorraad legt, verandert de 18,5 cent per euro.
Hoe je zelf een kasstroomoverzicht maakt met de indirecte kasstroommethode, in een kwartier
De zuivere methode is een maandelijkse kasstroomprognose van het hele bedrijf waarin debiteuren, voorraad, crediteuren, investeringen, aflossingen en belastingtermijnen als aparte regels meelopen, twaalf maanden vooruit. Dat is wat wij voor klanten maken en waar wij dus belang bij hebben. Hoe zo'n rolling forecast werkt, staat in de Kennisbank. De doe-het-zelf-variant is kleiner en vangt het grootste deel op.
Die variant begint met de balans van dit jaar en die van vorig jaar naast elkaar. De som start bij de nettowinst. De afschrijving komt erbij. De toename van debiteuren en voorraad gaat eraf. De toename van crediteuren en van de belastingschuld komt erbij. De investeringen en de aflossingen gaan eraf. Wat overblijft, moet gelijk zijn aan het verschil in het banksaldo. Klopt dat niet, dan zit het verschil in dividend, in een rekening-courant met de DGA, in een lening die je over het hoofd zag of in overlopende posten, en dat is de eerste vraag aan je accountant.
Eén dag DSO is in dit voorbeeld 23.890 euro (8 miljoen maal 1,09 gedeeld door 365). Van 50 naar 45 dagen scheelt 119.452 euro, bijna twee keer het kastekort van het jaar. Eén dag voorraad is 13.151 euro (4,8 miljoen gedeeld door 365); van 55 naar 50 dagen is 65.753 euro.
Wie de afvullijn van 350.000 euro voor 80 procent met een lening van vijf jaar had gefinancierd, had dit jaar 280.000 euro minder uit de kas gehaald en er de komende vijf jaar 56.000 euro aflossing per jaar bij gehad, plus rente. Of dat verstandig is, hangt af van de dip in april en van de solvabiliteit die de bank verlangt.
Het verschil tussen de werkelijke belasting en de voorlopige aanslag hoort apart te staan zodra de tussentijdse cijfers het laten zien, in het voorbeeld 36.315 euro na het derde kwartaal. De voorlopige aanslag van volgend jaar (120.755 euro) hoort nu al in de kasplanning. Een verzoek om een hogere voorlopige aanslag bij een winst die duidelijk boven vorig jaar uitkomt, kost dit jaar kas en scheelt volgend jaar 157.070 euro in één keer.
Het gesprek met de bank hoort vóór het jaar begint. Een kredietaanvraag met de brug erbij, waarin staat dat 23 procent groei bij 18,5 cent werkkapitaal per euro 60.869 euro extra limiet vraagt, is een ander gesprek dan een telefoontje in april. Hoe een groeiend bedrijf bij de bank vastloopt als het dat gesprek niet voert, staat in hoe een installatiebedrijf bij de bank vastloopt door groei. De groeikant van hetzelfde mechanisme staat in cashflow als groeiremmer.
Fiscaal en juridisch: de vragen voor je adviseur
Dit artikel beschrijft de regels zoals de Belastingdienst en de wet ze publiceren en geeft geen belasting- of juridisch advies. De vragen die uit het rekenvoorbeeld komen en die je aan je accountant of fiscalist stelt: moet de voorlopige aanslag van dit jaar omhoog nu de winst boven vorig jaar uitkomt, en wat gebeurt er met belastingrente als dat niet gebeurt; valt de afvullijn onder de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek of de energie-investeringsaftrek, en in welk jaar; is een overstap naar maandaangifte btw in het jaar van een grote investering mogelijk; en geldt de wettelijke betaaltermijn van 30 of 60 dagen voor de producten die dit bedrijf levert, en aan welke afnemers.
Meer lezen: cashflow als groeiremmer, het installatiebedrijf dat bij de bank vastloopt door groei, de kasconversiecyclus van een importerende groothandel, wat een machine in jaar één met de kas doet en rolling forecasts.
Veelgestelde vragen over winst die niet op de bank staat
Ik heb 400.000 euro winst gemaakt, maar mijn banksaldo is lager dan vorig jaar. Hoe kan dat?
Winst en kas meten twee verschillende dingen. De winst is het resultaat over het jaar; de kas is wat er na debiteuren, voorraad, investeringen, aflossingen en belastingtermijnen overblijft. In het rekenvoorbeeld zit de winst van 400.000 euro in 223.973 euro extra debiteuren, 135.617 euro extra voorraad, een afvullijn van 350.000 euro en 150.000 euro aflossing aan de bank. Per saldo daalt de kas met 60.869 euro.
Wat is het verschil tussen nettowinst en kasstroom in een bv?
De nettowinst is omzet min kosten min belasting over een periode, ongeacht wanneer het geld is ontvangen of betaald. De kasstroom is het werkelijke verschil tussen wat er op de bank binnenkwam en wat eruit ging. Daartussen zitten de afschrijving, het werkkapitaal, de investeringen en aflossingen, en het verschil tussen de belasting over het jaar en de belasting die in het jaar is betaald. In het voorbeeld is dat samen 460.869 euro.
Hoe maak ik met de indirecte kasstroommethode zelf een kasstroomoverzicht als mijn accountant er geen levert?
Je legt de balans van dit jaar naast die van vorig jaar. De som start bij de nettowinst. De afschrijving en de toename van crediteuren en belastingschuld komen erbij, de toename van debiteuren en voorraad en de investeringen en aflossingen gaan eraf. De uitkomst is de verandering van je banksaldo.
Waarom staat er geen kasstroomoverzicht in de jaarrekening van mijn kleine bv?
Een kleine bv hoeft geen kasstroomoverzicht op te nemen, omdat het Burgerlijk Wetboek de jaarrekening omschrijft als balans en winst-en-verliesrekening met toelichting, en de verplichting tot een kasstroomoverzicht pas via de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ 360) geldt vanaf het regime middelgroot. Een bv die op twee opeenvolgende balansdata onder twee van de drie wettelijke grenzen blijft, waaronder 15 miljoen euro netto-omzet en 50 werknemers, is klein en hoeft hem niet op te nemen.
Waarom kost groei geld terwijl ik winst maak?
Groei kost geld omdat elke euro extra omzet eerst in debiteuren en voorraad gaat zitten voordat hij als geld binnenkomt. In het voorbeeld kost elke euro extra omzet 18,5 cent werkkapitaal. Daarin zitten 50 dagen debiteuren en 55 dagen voorraad; het leverancierskrediet van 30 dagen haalt er een deel vanaf. Bij 1,5 miljoen euro groei is dat 277.184 euro, en dat geld moet uit de winst komen of van de bank.
Hoe snel kan mijn bedrijf groeien zonder extra bankkrediet?
Deel de kas die na investeringen en aflossingen uit de bedrijfsvoering overblijft door het werkkapitaal per euro extra omzet. In het voorbeeld is dat 216.315 euro gedeeld door 0,1848, dus 1.170.604 euro omzetgroei, 18 procent. Churchill en Mullins (2001) noemen dit de self-financeable growth rate. De sustainable growth rate van Higgins (1977) komt in hetzelfde voorbeeld op 33 procent uit, omdat die formule ervan uitgaat dat de bank naar rato meeleent.
Welke posten zorgen ervoor dat winst niet als geld op de bank belandt?
Zeven posten: de afschrijving (komt erbij), de toename van debiteuren en van voorraad (gaat eraf), de toename van crediteuren (komt erbij), de investeringen en de aflossingen (gaan eraf) en het verschil tussen de belasting over het jaar en de betaalde voorlopige aanslag. In het rekenvoorbeeld tellen die zeven regels op tot 460.869 euro tussen 400.000 euro winst en 60.869 euro minder kas.
← Terug naar kennisbank