Samenvatting

Een machine van 480.000 euro die 150.000 euro per jaar bespaart, heeft een terugverdientijd van 3,2 jaar, maar in het eerste jaar gaat er 434.375 euro meer uit de kas dan erin komt, en in april staat de teller tijdelijk op 625.800 euro (inclusief btw). Dat verschil ontstaat door de aanbetaling, de bijkomende kosten, het productieverlies bij de omschakeling, de btw die je voorschiet en de maanden waarin de machine nog niet op volle toeren draait. De keuze tussen eigen geld, een banklening, financial lease en operational lease bepaalt hoe diep die eerste dip wordt en wat de bank daarna van je solvabiliteit en je DSCR vindt.

De offerte ligt op tafel. Een nieuwe vijfassige bewerkingsmachine met robotbelading, 480.000 euro exclusief btw. De besparing is doorgerekend: een bediende minder op de nachtploeg en minder uitval, samen 150.000 euro per jaar. De terugverdientijd is 3,2 jaar. Bij een machine die tien jaar meegaat is dat een makkelijk besluit, en de DGA tekent.

Zes maanden later belt de bank. De rekening-courant zit tegen de limiet en de btw van het tweede kwartaal is nog niet terug. De nieuwe machine draait pas sinds vorige week op volle snelheid. De som klopte. Wat er in de som ontbrak, was de vraag hoeveel geld het bedrijf in het eerste jaar moest kunnen missen, en waar dat vandaan zou komen.

De terugverdientijd (payback period) meet het rendement van de investering: hoe lang de besparing erover doet om de aanschafprijs in te halen. De liquiditeit die je onderweg nodig hebt, meet je met een ander getal, het laagste kassaldo in het eerste jaar, en dat getal staat niet op de offerte. Wij verdienen aan gesprekken over precies die kasstroom (cash flow), dus lees de conclusies hieronder met dat in het achterhoofd.

Waarom kleine bedrijven op terugverdientijd beslissen, en wat er dan ontbreekt

Graham en Harvey (2001), peer reviewed, ondervroegen 392 CFO's en vonden dat grote bedrijven vooral contante-waardemethoden gebruiken, terwijl kleine bedrijven relatief vaak de terugverdientijd als criterium nemen. Twintig jaar later herhaalde Graham (2022), peer reviewed, dat onderzoek en beschreef beslisregels die conservatief en hardnekkig zijn, met interne prognoses die de CFO's zelf maar twee jaar vooruit betrouwbaar achten. Een terugverdientijd van 3,2 jaar reikt dus verder dan de horizon waarop dezelfde CFO's hun eigen cijfers vertrouwen.

Wij zien bij productiebedrijven tussen de 4 en 15 miljoen omzet dat de terugverdientijd meestal de enige som is die voor een investering wordt gemaakt. Daar is een goede reden voor. De som is in één minuut te maken en iedereen aan tafel begrijpt hem. Hij dwingt bovendien tot een eerlijke schatting van de besparing. Twee dingen ontbreken erin: de timing van het geld binnen het eerste jaar, en alles wat na de aanschafprijs nog betaald moet worden voordat de besparing begint.

Het rekenvoorbeeld: van 3,2 naar 3,9 jaar

In dit rekenvoorbeeld bestelt een metaalbewerker op 5 januari een machine van 480.000 euro exclusief btw. De leverancier vraagt 30 procent aanbetaling bij de order en de rest bij oplevering. De levertijd is twaalf weken, de machine wordt eind maart geplaatst en begin april opgeleverd. De besparing is 150.000 euro per jaar, 12.500 euro per maand, zodra de machine op volle capaciteit draait.

Wat er in het eerste jaar werkelijk de deur uitgaat:

PostMomentBedrag in euro, exclusief btw
Aanbetaling 30 procentjanuari144.000
Fundering, transport, plaatsing, aansluitingmaart22.000
Restant 70 procent bij opleveringapril336.000
Opleiding en inregelenapril8.000
Productieverlies tijdens de omschakeling (drie weken lagere output, gemiste dekking)april15.000
Totaal uitgaven jaar één525.000
Besparing jaar één (opstart: mei 50 procent en juni 75 procent; vanaf juli vol)mei tot december90.625
Netto kasstroom jaar éénmin 434.375

De aanschafprijs was 480.000 euro. De uitgaven zijn 525.000 euro, omdat de machine pas geld oplevert als hij staat, is aangesloten, is ingeregeld en de mensen ermee kunnen werken. De besparing in het eerste jaar is 90.625 euro in plaats van 150.000, omdat de machine tot en met april niets oplevert (besteld in januari, opgeleverd begin april) en daarna twee maanden nodig heeft om op snelheid te komen.

Het jaartotaal van 434.375 euro is niet eens het diepste punt. Eind april, als het restant is betaald en de besparing nog moet beginnen, staat de teller op 525.000 euro. Daar komt de btw bij: 21 procent over 480.000 euro is 100.800 euro, waarvan 30.240 euro in januari en 70.560 euro in april wordt betaald. Een kwartaalaangever krijgt dat geld pas terug in de aangifte na afloop van het kwartaal. In april staat er dus tijdelijk 625.800 euro uit. Dat geld komt terug, in mei en in augustus, maar de rekening-courant moet het in de tussentijd wel dragen.

Dezelfde som over vijf jaar:

JaarKasstroom in het jaar (euro)Cumulatief (euro)
1min 434.375min 434.375
2plus 150.000min 284.375
3plus 150.000min 134.375
4plus 150.000plus 15.625
5plus 150.000plus 165.625

De kas is terug op nul na 3,9 jaar, gerekend vanaf de bestelling. De terugverdientijd op de offerte zei 3,2 jaar. Met de bijkomende kosten erbij, maar zonder de opstartmaanden, komt hij op 3,5 jaar (525.000 gedeeld door 150.000). Het verschil tussen 3,2 en 3,9 zit dus voor ongeveer de helft in kosten die niet op de offerte staan en voor de andere helft in de maanden waarin de machine er wel is en nog niets oplevert.

Waarom de winst-en-verliesrekening de kasdip niet laat zien

De accountant boekt de machine plus de fundering en aansluiting, samen 502.000 euro, als investeringsuitgave (capex) op de balans en schrijft die af. De Belastingdienst, overheidsbron, staat fiscaal maximaal 20 procent van de aanschafkosten per jaar toe, dus minimaal vijf jaar. In dit voorbeeld rekenen wij met die vijf jaar en zonder restwaarde: 100.400 euro afschrijving per jaar, in het eerste jaar negen maanden, dus 75.300 euro.

Het resultaat in jaar één: 90.625 euro besparing, min 75.300 euro afschrijving, min 8.000 euro opleiding, min 15.000 euro gemiste dekking. Dat is min 7.675 euro. Vanaf jaar twee is het plus 49.600 euro per jaar (150.000 min 100.400). De winst-en-verliesrekening laat over het eerste jaar dus een verlies van 7.675 euro zien, terwijl de bankrekening 434.375 euro lager staat. Wie de investering uit de maandcijfers wil aflezen, ziet hem daar niet. Dezelfde blinde vlek beschrijven wij in het artikel over cashflow als groeiremmer.

Over die 49.600 euro extra winst is vanaf jaar twee vennootschapsbelasting verschuldigd, 19 procent in de eerste schijf, 9.424 euro per jaar; dat bedrag valt in de aanslag na afloop van het jaar en hoort dus in de kasplanning van jaar drie. Investeringsaftrek helpt hier niet: de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek 2026 loopt af naar nul boven een investeringsbedrag van 398.236 euro, en deze machine zit daar met 502.000 euro boven. Staat de machine op de Energielijst, dan geldt in 2026 een energie-investeringsaftrek van 40 procent, vooraf te melden bij RVO, en stelt het Belastingplan 2027 een verhoging naar 45 procent per 2027 voor, een wetsvoorstel dat nog door beide Kamers moet. Die afweging staat in het artikel over de EIA en het uitstellen van een energie-investering.

Waarom de omschakeling geld kost, en hoeveel

De twee maanden opstarttijd en de drie weken lagere output in het voorbeeld zijn aannames. De richting ervan is onderzocht. Terwiesch en Bohn (2001), peer reviewed, beschrijven de periode tussen de oplevering van een nieuw productieproces en de volle benutting als ramp-up: het proces wordt nog slecht begrepen, wat lage opbrengsten en lage productiesnelheden geeft, en leren via bewuste experimenten kost op korte termijn capaciteit. Haller en anderen (2025), peer reviewed en open access, concluderen in een literatuurstudie dat ramp-ups vaak slecht worden uitgevoerd en hun doelen missen, en dat managers in die fase beslissingen nemen zonder voldoende gegevens.

Geen van beide bronnen geeft een percentage voor een machine in een MKB-werkplaats. Wat wij bij klanten zien: bij een vervangingsmachine met bekende bediening is de opstart in vier tot zes weken klaar, bij een nieuwe technologie (van drie- naar vijfassig, van handmatig naar robotbelading) kost het twee tot drie maanden voordat de besparing volledig zichtbaar is, en in die maanden lopen de oude kosten gewoon door. Wie die maanden niet meerekent, ziet in de eerste kwartaalrapportage na de oplevering een besparing van 15.625 euro staan, waar de offerte 37.500 euro beloofde.

Machine financieren met eigen geld, banklening, financial lease of operational lease

De machine kan uit eigen middelen worden betaald, met een banklening, met financial lease of met operational lease. In dit rekenvoorbeeld financiert de bank 80 procent van de aanschafprijs (384.000 euro) in vijf jaar lineair, uitbetaald bij oplevering in april met de eerste aflossing in mei, tegen 12-maands Euribor plus 2 punten. De 12-maands Euribor stond op 25 september 2026 op 3,379 procent volgens euribor-rates.eu, marktdata, het hoogste niveau tot nu toe dit jaar; wij rekenen daarom met 5,4 procent. De financial lease dekt 100 procent, in 60 termijnen van 9.280 euro tegen 6,0 procent, want in onze praktijk zit een lease een half tot anderhalf punt boven de banklening. De operational lease is in dit voorbeeld een huurcontract van 60 maanden tegen 9.900 euro per maand, waarbij de leasemaatschappij eigenaar blijft en de restwaarde houdt. De bijkomende kosten van 45.000 euro (fundering, transport, opleiding en productieverlies) betaal je in alle vier de gevallen zelf.

Eigen middelenBanklening 80 procentFinancial lease 100 procentOperational lease
Kasstroom jaar éénmin 434.375min 116.321min 37.895min 43.475
Kasstroom jaar tweeplus 150.000plus 57.130plus 38.640plus 31.200
Kasstroom over vijf jaar, met alle 60 termijnen meegeteldplus 165.625plus 111.193plus 88.825plus 51.625
Machine na vijf jaar van joujajajanee
Machine op je balansjajajanee
Schuld op je balansnee384.000, aflopend480.000, aflopendnee
Afschrijving en investeringsaftrek bij joujajajanee
Btw100.800 bij levering, terug via de aangifte100.800 bij levering, terug via de aangifte100.800 bij levering, terug via de aangifteper termijn

De rij die ertoe doet, is de bovenste. Eigen middelen kosten in jaar één 434.375 euro. De banklening brengt dat terug naar 116.321 euro, omdat de bank het restant betaalt en de aflossing pas in mei begint (51.200 euro aflossing en 14.746 euro rente in het eerste jaar). De financial lease zakt naar 37.895 euro, de operational lease naar 43.475 euro. De prijs daarvoor staat in de derde rij, waarin ook de termijnen meetellen die in het zesde kalenderjaar vallen, zodat de volledige financieringskosten zichtbaar zijn: bij eigen middelen houd je 165.625 euro over, bij de lening 111.193 euro (het verschil is 54.432 euro rente, gerekend van april in jaar één tot en met april in jaar zes), bij de financial lease 88.825 euro en bij de operational lease 51.625 euro, en in dat laatste geval is de machine na vijf jaar niet van jou.

Voor de balans en de belasting is het onderscheid tussen financial lease en operational lease (in het Engels operating lease) scherp. De KVK, overheidsgelieerde voorlichting, zet het zo: bij financial lease ben je economisch eigenaar, zet je de aanschafprijs op de balans, schrijf je af en kun je investeringsaftrek gebruiken; bij operational lease blijft het eigendom bij de leasemaatschappij, schrijf je niet af, krijg je geen investeringsaftrek en betaal je btw per termijn in plaats van bij levering. Onder de Nederlandse verslaggevingsregels (RJ 292) verantwoordt de huurder de kosten van een operational lease gedurende de looptijd in het resultaat en activeert hij geen gebruiksrecht, zo beschrijft Crowe Peak (2023), adviseurspagina. Onder IFRS 16 zou dat onderscheid vervallen, maar een Nederlandse bv van deze omvang rapporteert doorgaans onder de RJ.

Dat leasing meer doet dan de kas ontzien, laten Eisfeldt en Rampini (2009), peer reviewed, zien: omdat een leasemaatschappij een geleaste machine makkelijker terughaalt dan een bank een verpande machine uitwint, heeft leasing een hogere schuldcapaciteit dan een lening met onderpand, en bedrijven met een krappere financiering leasen daarom een groter deel van hun kapitaalgoederen. Wij zien dat terug bij bedrijven die de bank al aan de limiet hebben zitten: de leasemaatschappij zegt ja waar de bank nee zegt, en de leasetermijn van 9.280 euro per maand komt dan bovenop een limiet die al vol zit.

Waarop de bank let bij een machine-investering: solvabiliteit en DSCR

Neem een bedrijf met een balanstotaal van 6 miljoen euro en 2,1 miljoen euro eigen vermogen, een solvabiliteit van 35 procent. Betaalt het de machine uit eigen middelen, dan verandert er op de balans niets aan die 35 procent: geld wordt machine. De banklening zet 384.000 euro schuld op de balans, en de solvabiliteit zakt naar 32,9 procent. De financial lease zet er 480.000 euro op, en de solvabiliteit zakt naar 32,4 procent. De operational lease laat de balans ongemoeid, terwijl je dezelfde 9.900 euro per maand moet betalen. In kredietvoorwaarden voor bedrijven van deze omvang komen wij meestal een ondergrens van 30 tot 35 procent solvabiliteit tegen; deze investering zet het voorbeeldbedrijf dus in twee van de vier varianten precies op de rand.

De tweede ratio is de DSCR, de debt service coverage ratio: de kasstroom uit de bedrijfsvoering gedeeld door rente plus aflossing in dat jaar. Op de investering zelf is die in jaar twee 150.000 gedeeld door 92.870 (76.800 aflossing plus 16.070 rente), dat is 1,6. In jaar één is dezelfde ratio veel krapper: de extra kasstroom uit de bedrijfsvoering is 90.625 euro besparing min 23.000 euro opleiding en gemiste dekking, dus 67.625 euro, tegenover 65.946 euro aflossing en rente (51.200 plus 14.746). Dat is 1,03. De bank rekent hem echter over het hele bedrijf, met alle bestaande leningen erbij. Wij zien 1,2 tot 1,3 als de gebruikelijke ondergrens in convenanten. Een bedrijf met 210.000 euro kasstroom uit de bedrijfsvoering en 150.000 euro aan rente en aflossing zit op 1,4. Met de investering erbij komt het in jaar één op 277.625 gedeeld door 215.946, dat is 1,29, en zakt daarmee onder een grens van 1,3. Vanaf jaar twee is het 360.000 gedeeld door 242.870, dat is 1,48. Dat is het gesprek waar het bedrijf uit de opening in belandde. De investering was goed; de convenanten worden op jaar één getoetst en de besparing telt pas in jaar twee volledig mee. Hoe de bank naar de rest van de balans van een projectbedrijf kijkt, staat in het artikel over onderhanden werk en de kredietlimiet.

Wat acceptabel is, en op welk moment je dat weet

De som hierboven levert vier getallen op die je voor de handtekening naast elkaar legt. Wat wij bij klanten als werkbare grenzen hanteren:

ToetsWat je vergelijktWerkbare grens (onze ervaring)Wanneer je het weet
Diepste maandHet laagste cumulatieve saldo (hier 625.800 euro in april, inclusief btw) tegen de vrije ruimte in de rekening-courantNa de dip blijft minstens één maand vaste kosten overBij de offerte, zodra betaalvoorwaarden en levertijd bekend zijn
Kasterugverdientijd3,9 jaar tegen 3,2 jaar op de offerteVerschil kleiner dan een jaar; groter verschil betekent dat de bijkomende kosten of de opstart te licht zijn ingeschatNa de investeringsbegroting, voor de order
Solvabiliteit na de investering32,4 tot 35 procent, afhankelijk van de financieringsvormBoven de ondergrens in je kredietvoorwaarden, met een marge van 2 puntenBij de keuze van de financieringsvorm
DSCR in jaar éénKasstroom van het hele bedrijf tegen alle rente en aflossing, met de extra 65.946 euro schuldendienst erbij en maar 67.625 euro extra kasstroom uit de bedrijfsvoeringBoven 1,3 in het eerste jaar, gerekend met de opstartmaanden erinVoor het gesprek met de bank, niet erna

De eerste toets is de belangrijkste, en wij zien hem het minst gedaan worden. Wij komen bedrijven tegen met een rekening-courantlimiet van 500.000 euro en een gemiddeld gebruik van 250.000 euro die een machine van 480.000 euro uit eigen middelen willen betalen. De vrije ruimte is 250.000 euro, de dip is 525.000 euro zonder btw. Dat past niet: het tekort in april is 275.000 euro, nog zonder de btw.

Wanneer dit verhaal niet opgaat

Voor een bedrijf met 1,5 miljoen euro aan liquide middelen en geen bankschuld is dit artikel een oefening in precisie: de dip van 434.375 euro past ruimschoots en de solvabiliteit blijft waar hij was. De terugverdientijd van 3,2 jaar is dan een prima beslismaat. Ook als de oude machine het begeeft en de keuze is geworden "investeren of stoppen met leveren", blijft de kasplanning van jaar één nodig; de beslissing zelf ligt dan al vast.

Het model gaat bovendien uit van een besparing die vanaf juli volledig binnenkomt. Bij een machine die capaciteit toevoegt in plaats van kosten bespaart, hangt de opbrengst van de orderportefeuille af. Volgens de flash PMI van S&P Global van 23 september 2026 groeien de nieuwe orders in de Europese industrie het snelst in ruim vier jaar; wie op die golf een machine bestelt voor werk dat er nog niet is, rekent met een besparing die pas komt als de orders komen. Dan wordt jaar één dieper dan 434.375 euro en jaar twee later dan plus 150.000.

En het model rekent met één machine. Wij zien bij toeleveranciers die in een jaar drie machines en een hal aanschaffen dat elke afzonderlijke som klopt, terwijl niemand de optelsom heeft gemaakt: drie keer een dip van 116.321 euro bij bankfinanciering is 348.963 euro in hetzelfde jaar, plus drie keer de opstartmaanden.

Wat je zelf kunt doen voordat je tekent

De zuivere methode is een maandelijkse kasstroomprognose van het hele bedrijf, waarin de investering als aparte regel meeloopt, met de bestaande leningen, de btw-aangiften en de belasting erin. Dat is wat wij voor klanten maken en waar wij dus belang bij hebben. De doe-het-zelf-variant is kleiner en vangt het grootste deel van het risico af.

Maak een investeringsbegroting op maandbasis: twaalf kolommen voor de maanden van het eerste jaar. Vul per maand in wat de leverancier factureert (aanbetaling, restant), wat er bijkomt (fundering, transport, plaatsing en opleiding, in het voorbeeld 30.000 euro), wat de omschakeling kost aan gemiste dekking (15.000 euro), de btw over elke factuur en de maand waarin die terugkomt, en de besparing met een opstartpercentage per maand (in het voorbeeld 50 en 75 procent, daarna vol). Tel cumulatief op. Het laagste getal in die rij is de dip die je moet kunnen dragen. In het voorbeeld is dat 625.800 euro in april, en die som kost een kwartier.

De leverancier is de tweede knop. Een aanbetaling van 10 procent in plaats van 30 procent scheelt in dit voorbeeld 96.000 euro in januari; een slottermijn van 10 procent na acceptatie schuift 48.000 euro naar de maand waarin de machine al draait. In onze praktijk bewegen leveranciers hierin mee bij een bedrijf dat de som kan laten zien.

De btw verdient een eigen regel, want de voorfinanciering is 70.560 euro gedurende vier maanden bij een kwartaalaangever. Wie in het jaar van een grote investering overstapt op maandaangifte, krijgt dat geld weken eerder terug; of dat kan, is een vraag voor je accountant.

De financieringsvorm toets je aan de dip: de banklening kost in dit voorbeeld 54.432 euro rente over de looptijd en haalt 318.054 euro uit de dip van jaar één. Die twee getallen naast elkaar zijn de som waar de keuze op draait.

Leg de opstartmaanden vast in het investeringsvoorstel. Schrijf op welk opstartpercentage je per maand verwacht (in het voorbeeld 50 procent in mei en 75 procent in juni) en vanaf welke maand de besparing vol meetelt, en vergelijk dat in de maandcijfers. Blijft de machine in juli op 60 procent hangen, dan is dat een signaal dat de ramp-up van Terwiesch en Bohn langer duurt dan gepland, en dan schuift ook de kasterugverdientijd op.

In de begroting hoort de investering op kasbasis, naast de afschrijving. De winst-en-verliesrekening laat in jaar één min 7.675 euro zien. Een begroting die daarop stuurt, ziet de dip van 434.375 euro nooit aankomen. Hoe je een groeiend bedrijf op kas stuurt in plaats van op winst, staat in het artikel over het installatiebedrijf dat bij de bank vastliep.

Fiscaal en juridisch: de vragen voor je adviseur

Dit artikel beschrijft de fiscale regels zoals de Belastingdienst en de KVK ze publiceren en geeft geen belasting- of juridisch advies. De vragen die uit het rekenvoorbeeld komen en die je aan je accountant of fiscalist stelt: telt de investering voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek in het jaar van de order of van de betaling, nu de Belastingdienst investeren definieert als het aangaan van de verplichting; loont spreiding over twee jaren, zodat elk deel onder de grens van 398.236 euro blijft; staat de machine op de Energielijst en moet de melding bij RVO voor de order de deur uit; en is het leasecontract dat "operational" heet in de jaarrekening ook een operational lease, gezien wie het economische risico draagt.

Veelgestelde vragen over terugverdientijd en kasstroom bij een machine-investering

Hoe bereken ik de terugverdientijd van een machine van 480.000 euro?

Deel de aanschafprijs door de jaarlijkse besparing: 480.000 gedeeld door 150.000 is 3,2 jaar. Wil je weten wanneer de kas werkelijk terug op nul is, tel dan de bijkomende kosten bij de aanschafprijs op (in het voorbeeld 45.000 euro) en reken de besparing in het eerste jaar met de levertijd en de opstartmaanden erin (90.625 euro in plaats van 150.000). Dan kom je op 3,9 jaar vanaf de bestelling.

Waarom is mijn cashflow in het eerste jaar veel slechter dan de terugverdientijd suggereert?

Omdat de terugverdientijd de aanschafprijs vergelijkt met een vol jaar besparing, terwijl in het eerste jaar de aanbetaling, het restant, de installatie, de opleiding en het productieverlies allemaal betaald worden voordat de machine op snelheid is. In het voorbeeld is de kasstroom in jaar één min 434.375 euro en de winst-en-verliesrekening min 7.675 euro.

Welke kosten komen er bovenop de aanschafprijs van een machine?

In het rekenvoorbeeld zijn dat de kosten om de machine te laten draaien (fundering, transport, plaatsing, aansluiting, opleiding en inregelen: 30.000 euro) en de gemiste dekking tijdens drie weken lagere output bij de omschakeling (15.000 euro). Samen 45.000 euro op een machine van 480.000, ruim 9 procent. Bij een nieuwe technologie zien wij dat percentage hoger uitvallen, vooral door een langere opstart.

Moet ik de btw op een machine-investering voorfinancieren en hoe lang?

Ja, behalve bij operational lease betaal je de btw bij de factuur en krijg je hem terug via de aangifte. Een kwartaalaangever schiet in het voorbeeld 70.560 euro ongeveer vier maanden voor. Bij operational lease wordt de btw per termijn in rekening gebracht, zoals de KVK beschrijft, en is er geen piek.

Wat is beter voor een productiebedrijf: eigen middelen, banklening, financial lease of operational lease?

Dat hangt af van de dip die je kunt dragen en van je kredietvoorwaarden. In het voorbeeld brengt de banklening de dip in jaar één van 434.375 naar 116.321 euro tegen 54.432 euro rente over de looptijd. Financial lease en operational lease brengen de dip verder omlaag (37.895 en 43.475 euro), maar kosten over de looptijd 76.800 respectievelijk 114.000 euro meer dan eigen middelen, en bij operational lease is de machine daarna niet van jou.

Staat operational lease op de balans en wat doet dat met mijn solvabiliteit?

Onder de Nederlandse verslaggevingsregels (RJ 292) verantwoordt de huurder een operational lease als kosten in het resultaat en zet hij geen gebruiksrecht op de balans, zoals Crowe Peak beschrijft. De solvabiliteit blijft op papier gelijk, in het voorbeeld 35 procent, terwijl de banklening hem naar 32,9 procent brengt en financial lease naar 32,4 procent. De betalingsverplichting van 9.900 euro per maand blijft wel bestaan, en een bank die het leasecontract opvraagt, rekent hem mee.

Wat is DSCR en waarom vraagt de bank erom bij een investering?

DSCR is de debt service coverage ratio: de kasstroom uit de bedrijfsvoering gedeeld door rente plus aflossing in hetzelfde jaar. Wij zien 1,2 tot 1,3 als ondergrens in convenanten. Een banklening voegt in jaar één 65.946 euro aflossing en rente toe (in jaar twee 92.870 euro), terwijl de extra kasstroom uit de bedrijfsvoering in jaar één maar 67.625 euro is en pas vanaf jaar twee 150.000. Daarom is jaar één het jaar waarin de ratio het krapst is.

Hoeveel productieverlies moet ik rekenen bij het omschakelen naar een nieuwe machine?

Terwiesch en Bohn (2001) beschrijven dat een nieuw proces in de ramp-up lagere opbrengsten en productiesnelheden heeft en dat leren capaciteit kost; een percentage geven zij niet. Wij rekenen bij een vervangingsmachine met bekende bediening met vier tot zes weken opstart en bij een nieuwe technologie met twee tot drie maanden, in het voorbeeld 50 procent in de eerste maand en 75 procent in de tweede; daarna vol. Leg die percentages vast in het investeringsvoorstel, dan kun je ze in de maandcijfers toetsen.

Meer lezen: onderhanden werk dat de bank niet meetelt, het installatiebedrijf dat bij de bank vastloopt door groei, een warmtepomp uitstellen voor de hogere EIA en cashflow als groeiremmer.

← Terug naar kennisbank