Samenvatting
Een installatiebedrijf dat groeit, moet elke euro extra omzet eerst voorfinancieren in materiaal, onderhanden werk en debiteuren, en dat geld moet er zijn voordat de winst op die omzet binnen is. In het rekenvoorbeeld in dit artikel kost 25 procent groei 457.000 euro extra werkkapitaal, terwijl de nettowinst van dat jaar 236.200 euro is, zodat de rekening-courant in één jaar volloopt. De bank beoordeelt de aanvraag om die limiet te verhogen vervolgens op zekerheden en op de kwaliteit van je cijfers, en op beide punten scoort een snel groeiende installateur zwakker dan zijn winst doet vermoeden.
Het orderboek staat voller dan ooit. Twee grote utiliteitsprojecten zijn binnen en de omzet gaat van 8 naar 10 miljoen. De jaarrekening laat een positief resultaat zien. En toch belt de accountmanager van de bank met de mededeling dat de limiet op de rekening-courant voorlopig blijft waar hij staat. De verklaring die de ondernemer daar zelf bij zoekt, is dat de bank te voorzichtig is geworden, of dat de relatie is verwaterd sinds de vorige accountmanager vertrok. Beide verklaringen komen wij tegen, en soms kloppen ze. De oorzaak die je kunt narekenen zit in de balans.
De markt maakt dat op dit moment scherper. Techniek Nederland (persbericht, juni 2026) meldde dat de installatiebranche weer groeit en daarbij steeds vaker vastloopt op capaciteit. Wie in die markt wél personeel vindt, groeit hard, en groei kost geld. Tegelijk lieten banken in het eurogebied in de Bank Lending Survey van de ECB (juli 2026, enquête onder banken) weten dat zij de voorwaarden voor bedrijfskrediet in het tweede kwartaal van 2026 per saldo hebben aangescherpt, dat zij voor het derde kwartaal een verdere aanscherping verwachten, en dat de kredietvraag van bedrijven juist licht toenam, onder meer door werkkapitaalbehoefte. Daar komt bij dat het MKB volgens De Nederlandsche Bank (statistiek, mei 2026) gemiddeld 3,6 procent rente betaalt op uitstaand bankkrediet, tegen 3,1 procent voor grotere bedrijven. Het krediet dat je krijgt, is dus ook nog duurder dan dat van de partij waarmee je op de bouwplaats concurreert.
In het rekenvoorbeeld kost elke euro groei 23 cent aan werkkapitaal
Wat volgt is een rekenvoorbeeld. De getallen zijn gekozen om de mechaniek zichtbaar te maken en bewust aan de gewone kant gehouden: geen extreme betalingstermijnen, geen wanbetaler.
Het bedrijf is een E- en W-installateur met 45 medewerkers en 8 miljoen euro omzet in 2025. Materiaal is 40 procent van de omzet, onderaanneming 10 procent. De winst voor belasting is 3 procent, 240.000 euro. Klanten betalen gemiddeld na 60 dagen. Het werk dat is uitgevoerd maar nog niet is gefactureerd, het onderhanden werk, staat gemiddeld voor 30 dagen omzet open. Er ligt voor 20 dagen materiaal op voorraad en in de bussen. Leveranciers worden na 45 dagen betaald. Op de balans staat verder een lening van 300.000 euro voor het wagenpark, waarop jaarlijks 100.000 euro wordt afgelost, en een rekening-courant van 700.000 euro bij een limiet van 900.000 euro.
Zo ziet de werkkapitaalpositie eruit, eind 2025 en na een jaar groei:
| Balanspost | Rekenregel | Eind 2025 (omzet 8 miljoen) | Eind 2026 (omzet 10 miljoen) | Toename |
|---|---|---|---|---|
| Debiteuren (inclusief btw) | 60 dagen van omzet keer 1,21 | 1.591.000 euro | 1.989.000 euro | 398.000 euro |
| Onderhanden werk | 30 dagen van omzet | 658.000 euro | 822.000 euro | 164.000 euro |
| Voorraad materiaal | 20 dagen van materiaalkosten | 175.000 euro | 219.000 euro | 44.000 euro |
| Crediteuren (inclusief btw) | 45 dagen van materiaal en onderaanneming keer 1,21 | 597.000 euro af | 746.000 euro af | 149.000 euro minder nodig |
| Netto werkkapitaal | Som van de vier regels | 1.827.000 euro | 2.284.000 euro | 457.000 euro |
Het netto werkkapitaal is 1.827.000 euro op 8 miljoen omzet: 22,8 cent per euro omzet, afgerond 23 cent. Dat getal verandert niet als het bedrijf groeit, zolang de betalingstermijnen en de marges gelijk blijven; het is een eigenschap van het bedrijfsmodel. Groeit de omzet in 2026 met 25 procent naar 10 miljoen, dan groeit het werkkapitaal mee naar 2.284.000 euro. De toename is 457.000 euro, en dat geld zit eind 2026 vast in de posten uit de tabel, met de debiteuren als grootste.
Daar komt de investering bij die groei vraagt: bussen en gereedschap voor de nieuwe monteurs. In het rekenvoorbeeld is dat 100.000 euro boven de gewone vervangingsinvesteringen, die gelijk zijn aan de afschrijving van 120.000 euro. Met de aflossing van 100.000 euro op de lening erbij komt de totale extra financieringsbehoefte in 2026 op 657.000 euro.
Waarom de winst de groei niet bijhoudt
Tegenover die 657.000 euro staat de winst van 2026. Bij dezelfde 3 procent marge op 10 miljoen omzet is dat 300.000 euro voor belasting. De vennootschapsbelasting is in 2026 19 procent over de eerste 200.000 euro en 25,8 procent daarboven: 38.000 plus 25.800 is 63.800 euro. Netto blijft er 236.200 euro over, aangenomen dat de dga geen dividend opneemt. Het verschil tussen de behoefte en de winst is 420.800 euro, en dat bedrag komt op de rekening-courant terecht. Die stond eind 2025 op 700.000 euro en staat eind 2026 op 1.120.800 euro, bij een limiet van 900.000 euro. De limiet is dan al maanden overschreden, en de ondernemer heeft in dat jaar geen enkel project met verlies gedraaid.
Higgins (Financial Management, 1977; het artikel staat achter de betaalmuur van JSTOR en er is geen vrije versie online) gaf hier een formule voor: de sustainable growth rate, het groeitempo dat een bedrijf kan volhouden zonder nieuw eigen vermogen op te halen en zonder zijn verhouding tussen schuld en eigen vermogen te laten oplopen. De kern van de formule is dat groei wordt begrensd door de winst die je in het bedrijf laat, gedeeld door de activa die elke euro omzet vraagt. Higgins rekent daarbij met de aanname dat de bank meegroeit in dezelfde verhouding als het eigen vermogen. Laat je die aanname weg, omdat de bank de limiet juist bevriest, dan wordt de grens strenger: de groei die je uit eigen winst kunt betalen. In het rekenvoorbeeld is dat 2,4 cent nettowinst per euro omzet, gedeeld door de 27,8 cent aan werkkapitaal en investeringen die elke euro omzet vraagt, minus die 2,4 cent. Dat is ongeveer 9 procent, aflossingen niet meegerekend. Als formule:
Interne groeivoet = nettowinst per euro omzet, gedeeld door (werkkapitaal per euro omzet plus investering per euro omzet, minus nettowinst per euro omzet), keer 100 procent.
In het rekenvoorbeeld: 2,4 gedeeld door (22,8 plus 5 minus 2,4) is 2,4 gedeeld door 25,4, is 0,094; keer 100 procent is 9,4 procent.
Elk procentpunt groei daarboven moet ergens anders vandaan komen: van de bank, van een investeerder, uit een hogere marge of uit een korter werkkapitaal.
Wij zien bij installateurs dat die 9 procent zelden bekend is. De ondernemer kent zijn marge en zijn orderboek. Het getal dat de groei begrenst, staat nergens op het dashboard. En dus wordt 25 procent groei gevierd, terwijl het financieel gezien bijna drie keer het tempo is dat het bedrijf zelf kan dragen.
Wat de bank ziet als je om een hogere kredietlimiet op de rekening-courant vraagt
De bank rekent met vier dingen: kan het bedrijf de rente en aflossing betalen, hoeveel eigen vermogen zit eronder, wat is de dekking van het krediet, en hoe actueel zijn de cijfers waarop zij dat beoordeelt.
| Kengetal | Rekenvoorbeeld eind 2026 | Hoe de bank het leest |
|---|---|---|
| Debt service coverage ratio (EBITDA gedeeld door rente plus aflossing) | EBITDA 480.000 euro (300.000 winst, 60.000 rente, 120.000 afschrijving); rente en aflossing 160.000 euro; DSCR 3,0 | Ruim voldoende. De banken waarmee wij werken hanteren doorgaans een ondergrens rond 1,2 tot 1,3; vraag jouw bank naar haar norm. |
| Solvabiliteit (eigen vermogen gedeeld door balanstotaal) | Eigen vermogen 1.539.200 euro op een balans van 3.606.000 euro: 43 procent | Gezond voor een installateur; de winst is ingehouden en de balans groeit mee. |
| Dekking van de rekening-courant (borrowing base) | Debiteuren 1.989.000 euro, waarvan 80 procent jonger dan 90 dagen: 1.591.000 euro. Bank financiert 60 procent daarvan: 955.000 euro. Onderhanden werk 822.000 euro: 0 procent. Vaste activa 500.000 euro en voorraad 219.000 euro: 0 procent (zie hieronder). | Het benodigde krediet van 1.120.800 euro plus een buffer past niet in de dekking. Dit is het zekerhedentekort. |
| Actualiteit van de cijfers | Laatste jaarrekening: 2025, opgeleverd in juni 2026. Geen maandcijfers, geen forecast. | De bank beoordeelt een groeiplan op cijfers van een half jaar oud. Dat verhoogt haar risico-inschatting, en een hogere risico-inschatting was in de ECB-enquête van juli 2026 de belangrijkste reden voor aanscherping. |
Twee van de vier regels zijn in orde, en dat zijn precies de twee die de ondernemer zelf in de gaten houdt. De afwijzing komt uit de andere twee.
Een bank financiert werkkapitaal op basis van wat zij bij een faillissement kan innen. Debiteuren zijn dan facturen aan derden met een juridische vordering erachter; daar past een percentage op, in het rekenvoorbeeld 60 procent, en facturen ouder dan 90 dagen tellen niet mee. Onderhanden werk is werk dat nog niet is gefactureerd. Bij een faillissement van een installateur is dat werk voor de bank vrijwel onverkoopbaar, dus zij waardeert het op nul. Precies de post die bij snelle groei hard stijgt, 164.000 euro in het rekenvoorbeeld, telt bij de bank voor niets. Het percentage op debiteuren verschilt per bank en per klantprofiel; vraag ernaar, want het bepaalt je maximale limiet meer dan je winst dat doet.
De bussen, het gereedschap en de voorraad staan in die dekking ook op nul. Een bank koppelt de looptijd van het krediet aan de looptijd van het bezit dat erachter zit. Een bus gaat zes tot acht jaar mee en verdient zichzelf in die jaren terug via de omzet van de monteur die erin rijdt; daarom financiert de bank hem met een lening of lease waarvan de aflossing die jaren volgt, en heeft die financier er al een pandrecht op of is er eigenaar van. Dezelfde bus kan geen twee keer als zekerheid dienen. Een rekening-courant werkt anders: die financiert de weken tussen het betalen van je inkoop en het innen van je factuur, en wordt binnen die cyclus terugbetaald uit de klantbetalingen die binnenkomen. De bank wil de dekking van dat krediet dus in bezit dat in diezelfde weken in geld verandert, en dat zijn de facturen. Daar komt bij dat een bus bij gedwongen verkoop een fractie van de boekwaarde opbrengt. De materiaalvoorraad van een installateur ligt verspreid over bussen en projecten, is deels al verwerkt en brengt bij uitwinning weinig op. Wij zien dat banken de voorraad bij een installateur meestal buiten de dekking laten; vraag jouw bank of zij er een percentage op rekent. Wat overblijft is de post die binnen de cyclus in geld verandert en die de bank bij een faillissement kan innen: de debiteuren, en daarvan het deel dat jong genoeg is om zonder discussie betaald te worden.
Dat de bank in zo'n geval de limiet bevriest in plaats van een hogere rente te vragen, heeft een reden. Stiglitz en Weiss (American Economic Review, 1981) lieten zien waarom een bank die het risico van een klant niet volledig kan beoordelen, liever de hoeveelheid krediet beperkt dan de prijs verhoogt: een hogere rente trekt juist de klanten aan die het meeste risico nemen, en jaagt de voorzichtige klanten weg. De bank rantsoeneert dus op hoeveelheid, en wie zijn risico niet zichtbaar kan maken, krijgt het kleinste rantsoen. Dat sluit aan op de ECB-enquête van juli 2026, waarin banken de aanscherping vooral toeschreven aan een hogere risico-inschatting en een lagere risicobereidheid. Voor een groeiende installateur betekent dat concreet dat de cijfers die de bank niet heeft, in haar risico-inschatting als slecht nieuws worden ingevuld.
Reken per project, want het jaargemiddelde verbergt de piek
De 457.000 euro uit de tabel is een jaarcijfer. Het echte geld wordt per project uitgegeven, en daar zit de piek eerder en hoger dan het gemiddelde laat zien.
Neem één utiliteitsproject uit de groei: 600.000 euro aanneemsom exclusief btw, zes maanden doorlooptijd, 90 procent kosten die gelijkmatig vallen, 90.000 euro per maand. Van die kosten is 54.000 euro materiaal en onderaanneming, waarover 21 procent btw wordt betaald, en 36.000 euro eigen loon. Leveranciers worden in de maand na levering betaald. Het bedrijf factureert maandelijks achteraf naar rato van de voortgang, 100.000 euro plus 21.000 euro btw, en de opdrachtgever betaalt na 60 dagen. De btw loopt via de maandaangifte: de btw op de verkoopfactuur van een maand wordt in de maand erna afgedragen, de btw op de inkoop van die maand wordt in dezelfde aangifte teruggevraagd, en het saldo gaat naar de Belastingdienst.
| Maand | Uitgaven (loon, en leveranciers inclusief btw) | Btw-aangifte (saldo te betalen) | Ontvangsten (inclusief btw) | Cumulatieve kaspositie van het project |
|---|---|---|---|---|
| 1 | 36.000 euro | 0 | 0 | 36.000 euro tekort |
| 2 | 101.340 euro | 9.660 euro | 0 | 147.000 euro tekort |
| 3 | 101.340 euro | 9.660 euro | 121.000 euro | 137.000 euro tekort |
| 4 | 101.340 euro | 9.660 euro | 121.000 euro | 127.000 euro tekort |
| 5 | 101.340 euro | 9.660 euro | 121.000 euro | 117.000 euro tekort |
| 6 | 101.340 euro | 9.660 euro | 121.000 euro | 107.000 euro tekort |
| 7 | 65.340 euro | 9.660 euro | 121.000 euro | 61.000 euro tekort |
| 8 | 0 | 0 | 121.000 euro | 60.000 euro over |
Het project levert 60.000 euro marge op, en dat is precies wat er in maand acht overblijft. In maand twee staat het project echter 147.000 euro in het rood, bijna tweeënhalf keer de marge, en die piek verschuift naar de rekening-courant. De btw versterkt dat: de 21.000 euro btw op de eerste verkoopfactuur moet in maand twee naar de Belastingdienst, terwijl de klant die factuur pas in maand drie betaalt. Drie van zulke projecten tegelijk, wat bij 2 miljoen extra omzet een normaal beeld is, vragen op hun piek 441.000 euro, bijna het volledige jaarbedrag van 457.000 euro, geconcentreerd in de eerste twee maanden na de start.
Richards en Laughlin (Financial Management, 1980) noemden de tijd tussen het betalen van je inkoop en het innen van je verkoop de cash conversion cycle, en lieten zien dat die cyclus meer over de liquiditeit van een bedrijf zegt dan de current ratio uit de jaarrekening. In het rekenvoorbeeld is die cyclus per saldo 65 dagen: 20 dagen voorraad, 30 dagen tot de factuur en 60 dagen tot de betaling, minus 45 dagen leverancierskrediet. Elke dag die je daarvan afhaalt, verlaagt de piek. Baños-Caballero, García-Teruel en Martínez-Solano (Journal of Business Research, 2014) vonden dat het verband tussen werkkapitaal en bedrijfsresultaat de vorm van een omgekeerde U heeft: te weinig werkkapitaal kost omzet, te veel kost rendement en financieringsruimte, en het optimum ligt lager naarmate een bedrijf moeilijker aan financiering komt. Voor een installateur wiens bank de limiet bevriest, is dat de onderbouwing van iets wat hij zelf al voelt: elke dag die je van je cyclus afhaalt, is een dag groei die je wél kunt betalen.
Wat is acceptabel, en wanneer weet je dat
Vier vragen bepalen of je groeitempo bij je financiering past; een vaste norm per branche bestaat daarvoor niet. De doe-het-zelf-variant staat erbij, want de zuivere methode, een maandelijkse liquiditeitsprognose per project, heeft niet iedereen.
- Hoeveel cent werkkapitaal kost elke euro omzet? Neem de laatste jaarrekening, tel debiteuren, onderhanden werk en voorraad op, trek de crediteuren af, en deel door de omzet. In het rekenvoorbeeld is dat 23 cent. Wij zien bij installateurs dat een werkkapitaal boven de 30 cent per euro omzet meestal op een te lange cyclus wijst, en dat de oorzaak dan bij het factureren of bij de betalingstermijn zit.
- Hoeveel groei kan het bedrijf uit eigen winst betalen? Nettowinst per euro omzet, gedeeld door het bedrag uit vraag 1 plus de investering per euro groei, minus die nettowinst, keer 100 procent. In het rekenvoorbeeld 9 procent. Ligt het geplande groeitempo daarboven, dan moet het verschil van buiten komen, en dat gesprek voer je voordat de groei begint.
- Wat is de dekking die de bank rekent, en hoe ver zit je daar vanaf? Debiteuren jonger dan 90 dagen keer het percentage van je bank. Ligt de benutting van de rekening-courant op de piek boven de 80 procent van de limiet, dan is het aanvraagmoment al bijna voorbij.
- Hoe oud zijn de cijfers die de bank van je heeft? Een jaarrekening van een half jaar oud is voor een bank een risico-opslag. Maandcijfers met een liquiditeitsprognose voor twaalf maanden halen die opslag weg.
Wie deze vier vragen beantwoordt en op alle vier binnen de marge zit, heeft geen probleem, ook niet bij 25 procent groei. Dat komt voor, met name bij installateurs met veel onderhoudscontracten die vooruit factureren. De uitkomst waarin er niets aan de hand is, bestaat, en het is de moeite waard om dat vast te stellen voordat je een adviseur belt.
Wanneer dit verhaal niet opgaat
Het rekenvoorbeeld leunt op drie eigenschappen: facturering achteraf, een betalingstermijn van 60 dagen en een marge van 3 procent. Verander er één en het beeld kantelt.
Een installateur in de consumentenmarkt, die warmtepompen en zonnepanelen bij particulieren plaatst, vraagt vaak 30 tot 50 procent aanbetaling bij opdracht en de rest bij oplevering. Zijn debiteurenpost is klein, zijn onderhanden werk wordt door de klant gefinancierd, en zijn werkkapitaal per euro omzet kan onder de 10 cent liggen. Voor hem is 25 procent groei uit eigen winst betaalbaar. Hetzelfde geldt voor de service- en onderhoudsinstallateur die abonnementen vooruit factureert. En bij een marge van 6 procent in plaats van 3 verdubbelt de interne groeivoet uit het rekenvoorbeeld naar bijna 20 procent; de rekening-courant blijft dan in het eerste groeijaar net onder de limiet en loopt pas in het tweede jaar vol.
Andersom geldt het ook. Werkt een installateur voor hoofdaannemers die 90 dagen betalen en 5 procent inhouden tot de oplevering, dan stijgt het werkkapitaal per euro omzet richting de 35 cent en zakt de interne groeivoet naar ongeveer 6 procent. Wie in die keten 25 procent wil groeien, heeft de bank, of een ander stelsel van termijnen, al nodig voordat het eerste nieuwe project start.
Wat kan een installatiebedrijf doen als de bank de kredietlimiet niet verhoogt?
Hieronder vijf maatregelen. Bij elke staat waar het getal of de bron vandaan komt, en omdat wij ons geld verdienen met precies dit soort stuurinformatie, mag je de derde en de vijfde met extra argwaan lezen.
- Verkort de cyclus voordat je om meer krediet vraagt. Factureer wekelijks in plaats van maandelijks en spreek bij nieuwe projecten termijnen bij start en bij mijlpalen af. Bij materiaalintensieve opdrachten hoort daar een aanbetaling ter hoogte van de materiaalkosten bij. In het rekenvoorbeeld haalt één week minder onderhanden werk op 10 miljoen omzet ongeveer 190.000 euro van het werkkapitaal, en een betalingstermijn van 50 in plaats van 60 dagen nog eens ruim 330.000 euro. Samen is dat meer dan de 457.000 euro die de groei in 2026 vraagt. Volgens Baños-Caballero en collega's (2014) ligt het optimale werkkapitaalniveau lager naarmate een bedrijf moeilijker aan financiering komt; een bevroren limiet is daar het duidelijkste signaal van.
- Maak het onderhanden werk zichtbaar en onderbouwd. De bank waardeert het op nul omdat zij het niet kan beoordelen. Een maandelijkse projectstaat met per project de aanneemsom, de voortgang, het gefactureerde bedrag en de verwachte eindmarge levert nog geen dekkingspercentage op, wel een lagere risico-inschatting. In het rekenvoorbeeld gaat het om 822.000 euro die nu buiten beeld staat.
- Lever de bank maandcijfers en een liquiditeitsprognose voor twaalf maanden, ook als zij er niet om vraagt. Kysucky en Norden (Management Science, 2016) vonden in een meta-analyse van ruim honderd studies uit ruim twintig landen dat langdurige en hechte bankrelaties leiden tot meer beschikbaar krediet, lagere rente en lagere zekerheidseisen, en dat dat voordeel groter is waar banken onderling concurreren. Een relatie wordt hecht door informatie, en de 3,6 procent uit de DNB-cijfers is een gemiddelde waar je onder kunt komen. Het artikel over rolling forecasts beschrijft hoe je zo'n prognose opzet.
- Vul het zekerhedentekort met de BMKB. De Borgstelling MKB-kredieten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (regeling, voorwaarden 2026) laat de overheid voor 90 procent borg staan op het deel van een bankkrediet waarvoor zekerheden ontbreken, het borgstellingskrediet. Dat deel is hooguit de helft van de totale kredietverstrekking en maximaal 1,5 miljoen euro per onderneming; de regeling geldt voor bedrijven tot 250 medewerkers. De financier betaalt een eenmalige garantieprovisie die hij doorberekent: 3,9 procent van het borgstellingskrediet bij een looptijd tot twee jaar, oplopend tot 5,85 procent bij een looptijd van zeven tot twaalf jaar (tarieven RVO, 2026). In het rekenvoorbeeld is het tekort het verschil tussen de benodigde 1.120.800 euro plus buffer en de dekking van 955.000 euro. De bank beslist of zij het borgstellingskrediet verleent en meldt het bij RVO; jij brengt de regeling ter sprake.
- Zet het groeitempo tegen de interne groeivoet en kies bewust. Higgins (1977) schreef dat een bedrijf dat structureel sneller groeit dan zijn sustainable growth rate, uiteindelijk moet kiezen tussen minder groei, meer eigen vermogen, een hogere marge of een kortere cyclus. In het rekenvoorbeeld is 9 procent de grens uit eigen middelen. Wie 25 procent wil, kiest dus expliciet voor een van die vier, en legt die keuze op tafel bij de bank voordat de limiet vol is. Uit de ECB-enquête van juli 2026 blijkt dat banken voor het derde kwartaal een verdere aanscherping verwachten; een aanvraag die al onderbouwd op tafel ligt, wordt in zo'n kwartaal anders beoordeeld dan een aanvraag die uit een overstand voortkomt.
De jaarrekening laat het juiste resultaat zien. Om te sturen op groei heb je er een tweede cijfer naast nodig: het werkkapitaal per euro omzet, en de groei die je daarmee uit eigen winst kunt betalen. De 420.800 euro uit het rekenvoorbeeld zit op de rekening-courant, en je vindt hem in geen enkele regel van de winst-en-verliesrekening.
Veelgestelde vragen over groei, werkkapitaal en de bank bij een installatiebedrijf
Waarom wil de bank mijn kredietlimiet niet verhogen terwijl ik winst maak?
Omdat de bank werkkapitaalkrediet beoordeelt op dekking en op de kwaliteit van je cijfers, en op beide punten scoort een snel groeiend installatiebedrijf zwakker dan zijn winst laat zien. Debiteuren tellen deels mee als zekerheid en onderhanden werk telt niet mee; daar komt bij dat een jaarrekening van een half jaar oud de risico-inschatting verhoogt. In het rekenvoorbeeld in dit artikel is de DSCR 3,0 en de solvabiliteit 43 procent, en past het benodigde krediet van 1.120.800 euro toch niet in een dekking van 955.000 euro.
Hoeveel werkkapitaal heb ik nodig als mijn omzet 25 procent groeit?
Bereken eerst hoeveel cent werkkapitaal elke euro omzet vraagt: debiteuren plus onderhanden werk plus voorraad, minus crediteuren, gedeeld door de omzet. In het rekenvoorbeeld is dat 23 cent. Bij 2 miljoen euro extra omzet is de behoefte dan 457.000 euro, plus de investeringen in bussen en gereedschap. Dat geld moet er zijn voordat de winst op die omzet binnen is.
Hoe snel kan mijn bedrijf groeien zonder extra bankkrediet?
Deel je nettowinst per euro omzet door het werkkapitaal en de investering per euro omzet, minus die nettowinst, en vermenigvuldig met 100 procent. In het rekenvoorbeeld: 2,4 cent gedeeld door 27,8 min 2,4 cent is 0,094, keer 100 procent is ongeveer 9 procent per jaar. Higgins (1977) noemde de variant waarin de bank meegroeit de sustainable growth rate; die ligt hoger, maar veronderstelt precies de limietverhoging die in dit artikel uitblijft.
Telt onderhanden werk mee als zekerheid voor de bank?
In de regel niet. Een bank financiert op wat zij bij een faillissement kan innen, en werk dat nog niet is gefactureerd is dan vrijwel niets waard. Debiteuren jonger dan 90 dagen tellen wel mee, tegen een percentage dat per bank verschilt. In het rekenvoorbeeld staat 822.000 euro onderhanden werk buiten de dekking. Een maandelijkse projectstaat verlaagt de risico-inschatting waarop de bank rantsoeneert, ook al levert hij geen dekking op.
Wat is de BMKB en wanneer kom ik ervoor in aanmerking?
De Borgstelling MKB-kredieten is een regeling van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland waarbij de overheid voor 90 procent borg staat op het deel van een bankkrediet waarvoor zekerheden ontbreken. Dat borgstellingskrediet is hooguit de helft van het totale krediet en maximaal 1,5 miljoen euro per onderneming, tegen een eenmalige garantieprovisie van 3,9 procent bij een korte looptijd tot 5,85 procent bij een lange looptijd. De regeling geldt voor bedrijven tot 250 medewerkers met een jaaromzet tot 50 miljoen euro of een balanstotaal tot 43 miljoen euro. De bank beslist en meldt het krediet bij RVO; jij brengt de regeling ter sprake.
Waar kijkt de bank naar bij een aanvraag voor een hogere rekening-courant?
Naar de debt service coverage ratio (kan het bedrijf rente en aflossing betalen uit de EBITDA), de solvabiliteit (hoeveel eigen vermogen zit eronder), de dekking (welk deel van het krediet wordt gedragen door debiteuren en andere zekerheden) en de actualiteit van de cijfers. Stiglitz en Weiss (1981) lieten zien dat een bank die het risico niet goed kan inschatten, de hoeveelheid krediet beperkt in plaats van de rente te verhogen, en hoe minder de bank van je weet, hoe kleiner dat rantsoen uitvalt.
Hoe bereken ik de DSCR van mijn bedrijf?
Neem de winst voor belasting, tel de rentelasten en de afschrijvingen erbij op, en deel dat door de som van rente en aflossing over hetzelfde jaar. In het rekenvoorbeeld: 300.000 plus 60.000 plus 120.000 is 480.000 euro, gedeeld door 160.000 euro rente en aflossing, geeft 3,0. De banken waarmee wij werken hanteren doorgaans een ondergrens rond 1,2 tot 1,3; vraag jouw bank welke norm zij gebruikt en of zij met EBITDA of met de operationele kasstroom rekent.
Dit artikel is geschreven in samenwerking met onze partner Claassen Moolenbeek & Partners.
Meer lezen: Cashflow als groeiremmer: waarom MKB's vastlopen en hoe je doorbreekt en Rolling forecasts: sturen in onzekere tijden.
← Terug naar kennisbank