Samenvatting
De ECB verhoogde de depositorente op 10 september 2026 naar 2,50 procent, de tweede stap van een kwart procent dit jaar. Voor een technische groothandel met 12 miljoen omzet en 2,4 miljoen op de rekening-courant is dat 12.000 euro extra rente per jaar, terwijl de 2,07 miljoen die bij klanten uitstaat hem bij het nieuwe tarief 105.500 euro per jaar kost. De post waarop die verhoging drukt, bepaal je dus grotendeels zelf.
Een directeur van een technische groothandel belde ons de dag na het ECB-besluit met de vraag wat het hem ging kosten. Zijn bank had een brief gestuurd: de rente op de rekening-courant ging per 16 september een kwart procent omhoog. Hij had de som al gemaakt. Bij een gemiddelde stand van 2,4 miljoen euro is dat 6.000 euro per jaar, en na de stap van juni was het in totaal 12.000 euro. Op een omzet van 12 miljoen leek hem dat een detail, en op zichzelf klopt dat.
Wat hij niet had uitgerekend, was waarover die rente loopt. De rekening-courant staat vol omdat zijn klanten gemiddeld 52 dagen doen over een factuur en omdat er 95 dagen voorraad in het magazijn ligt. De rente is de prijs van dat geduld, en de brief van de bank gaat over het kleinste getal in die som.
Wij verdienen ons geld met dit soort doorrekeningen, dus lees de conclusies hieronder met dat in gedachten.
Waarom een kwart procent rente nauwelijks opvalt en toch telt
De Europese Centrale Bank (beleidsverklaring, 10 september 2026) verhoogde haar drie rentetarieven met 25 basispunten, ingaand op 16 september: de depositorente naar 2,50 procent, de herfinancieringsrente naar 2,65 procent en de marginale beleningsrente naar 2,90 procent. De reden was een inflatie van 3,3 procent in augustus, met energie als aanjager. De eerste stap dit jaar was op 11 juni 2026, toen de depositorente van 2,00 naar 2,25 procent ging. De ECB schrijft er nadrukkelijk bij dat ze zich niet vastlegt op een rentepad en per vergadering beslist. Wie een begroting voor 2027 maakt, kan dus met geen enkele zekerheid rekenen dat dit de laatste stap was.
Een bank geeft die verhoging vrijwel een op een door in de rekening-courant, omdat het tarief daarvan is gekoppeld aan de geldmarktrente plus een opslag. Bij een opgenomen bedrag van 2,4 miljoen euro is een kwart procent 6.000 euro per jaar. Twee stappen is 12.000 euro. Rente is aftrekbaar, dus bij het lage vennootschapsbelastingtarief van 19 procent blijft daar netto 9.720 euro van over. Op een omzet van 12 miljoen euro is dat 0,08 procent.
Dat getal is voor de directeuren die wij spreken de reden om de brief van de bank weg te leggen. Wij zien bij handelsbedrijven dat de rentelast pas een gespreksonderwerp wordt zodra de limiet in zicht komt, en dan gaat het gesprek over de limiet en zelden over de oorzaak. De oorzaak staat op de balans: debiteuren en voorraad.
Wat de theorie zegt: kasconversiecyclus en de prijs van handelskrediet
Het model dat dit inzichtelijk maakt is de kasconversiecyclus (cash conversion cycle) van Richards en Laughlin (Financial Management, 1980, peer reviewed; het artikel staat achter een betaalmuur en er staat geen vrije versie online). Zij tellen het aantal dagen dat geld vastzit in voorraad bij het aantal dagen dat een klant erover doet om te betalen, en trekken daar het aantal dagen af dat je zelf op je leverancier mag wachten. De uitkomst is het aantal dagen dat je elke euro inkoop moet voorfinancieren voordat hij als omzet terugkomt. Voor een groothandel is dat getal groot, omdat hij twee keer voorschiet: eerst aan de leverancier, dan aan de klant.
Dat model is sindsdien empirisch onderbouwd. Deloof (Journal of Business Finance & Accounting, 2003, peer reviewed) vond bij 1.009 grote Belgische niet-financiële bedrijven over 1992 tot 1996 dat de brutowinst daalt naarmate de debiteurentermijn en de voorraadtermijn langer zijn, en dat minder winstgevende bedrijven hun leveranciers later betalen. Kieschnick, Laplante en Moussawi (Review of Finance, 2013, peer reviewed) berekenden bij Amerikaanse beursfondsen over 1990 tot 2006 dat een extra euro in werkkapitaal voor aandeelhouders minder waard is dan een extra euro in kas, en dat die uitkomst sterker negatief wordt naarmate een bedrijf meer schuld heeft en moeilijker aan financiering komt. Opvallend in hun uitkomst: een extra euro die aan klanten wordt uitgeleend heeft een groter effect op de aandeelhouderswaarde dan een extra euro in voorraad. Boisjoly, Conine en McDonald (Journal of Business Research, 2020, peer reviewed) laten over 1990 tot 2017 zien dat bedrijven hun kasconversiecyclus structureel hebben verkort en dat kortere cycli samengaan met een hoger rendement op geïnvesteerd vermogen en een hogere waardering.
De tweede helft van de theorie gaat over de vraag waarom een groothandel überhaupt krediet geeft aan klanten, het leverancierskrediet of trade credit. Petersen en Rajan (Review of Financial Studies, 1997, peer reviewed) laten zien dat leveranciers krediet verstrekken omdat ze hun afnemers beter kennen dan een bank, omdat ze geleverde goederen makkelijker terugnemen en omdat ze belang hebben bij het voortbestaan van de klant. Bedrijven met goede toegang tot bankkrediet geven volgens hen meer leverancierskrediet, terwijl bedrijven zonder die toegang er juist meer van gebruiken. Een groothandel zit precies tussen die twee posities in. Ng, Smith en Smith (Journal of Finance, 1999, peer reviewed) onderzochten de betalingscondities zelf en vonden dat een korting voor snelle betaling vooral een instrument is om informatie over de kredietwaardigheid van de klant boven tafel te krijgen: wie de korting laat lopen, betaalt een impliciete jaarrente van tientallen procenten (in het rekenvoorbeeld hieronder 37 procent) en vertelt daarmee iets over zijn eigen liquiditeit. En McGuinness, Hogan en Powell (Journal of Corporate Finance, 2018, peer reviewed) vonden bij 202.696 Europese MKB-bedrijven over 2003 tot 2012 dat ontvangen leverancierskrediet de kans op financiële nood verkleint, en dat het vooral de kasrijke bedrijven zijn die netto krediet verstrekken. De groothandel die 52 dagen wacht op zijn geld, speelt dus voor bank van zijn klanten. Die rol is een keuze, en de renteverhoging maakt hem duurder.
Hoe gebruikelijk het is dat werkkapitaal (working capital) met bankgeld wordt gefinancierd, laat de Financieringsmonitor 2025 van het CBS (statistiek, februari 2026) zien: in de periode juli 2024 tot juli 2025 had 15 procent van de MKB-bedrijven een financieringsbehoefte, en van de bedrijven die financiering kregen noemde 37 procent voorraden als doel en was bij 41 procent een banklening de vorm (meerdere antwoorden mogelijk). Tegelijk nam het uitstaande krediet van de grootbanken aan het MKB in 2024 met 3,9 procent af. De bank financiert dus nog steeds het werkkapitaal van de groothandel, tegen een tarief dat dit jaar twee keer omhoog ging, en doet dat met steeds minder enthousiasme.
Rekenvoorbeeld: een technische groothandel met 12 miljoen omzet
In dit rekenvoorbeeld heeft een technische groothandel in bevestigingsmateriaal en gereedschap een omzet van 12 miljoen euro exclusief btw, een brutomarge van 27 procent en dus een inkoopwaarde van 8,76 miljoen euro. Klanten zijn installateurs, aannemers en industriële bedrijven. De betalingsconditie op de factuur is 30 dagen, de werkelijke gemiddelde betaaltermijn (days sales outstanding, DSO) is 52 dagen. De voorraad ligt gemiddeld 95 dagen, omdat de belofte "vandaag besteld, morgen in huis" een breed assortiment vraagt. Leveranciers worden na 40 dagen betaald. De rente op de rekening-courant was begin 2026 4,6 procent (aanname in dit voorbeeld) en is na de twee verhogingen 5,1 procent. De gemiddelde stand is 2,4 miljoen euro bij een limiet van 2,8 miljoen.
De debiteuren staan inclusief btw op de balans. De omzet inclusief btw is 14,52 miljoen euro, dat is 39.781 euro per dag. Bij 52 dagen staat er 2.068.600 euro uit. De voorraad staat tegen inkoopwaarde: 8,76 miljoen gedeeld door 365 is 24.000 euro per dag, maal 95 dagen is 2.280.000 euro. De crediteuren staan ook inclusief btw: 10,6 miljoen inkoop is 29.040 euro per dag, maal 40 dagen is 1.161.600 euro. Het werkkapitaal dat de groothandel moet financieren is 2.068.600 plus 2.280.000 min 1.161.600, dat is 3.187.000 euro. De kasconversiecyclus is 52 plus 95 min 40, dat is 107 dagen. De rekening-courant van 2,4 miljoen dekt daar driekwart van; de rest komt uit eigen vermogen.
| Onderdeel | Dagen | Bedrag op de balans | Rente per jaar bij 5,1 procent | Waarde van één dag |
|---|---|---|---|---|
| Debiteuren | 52 | 2.068.600 euro | 105.500 euro | 39.781 euro |
| Voorraad | 95 | 2.280.000 euro | 116.300 euro | 24.000 euro |
| Crediteuren (aftrek) | 40 | 1.161.600 euro | 59.200 euro | 29.040 euro |
| Netto werkkapitaal | 107 | 3.187.000 euro | 162.500 euro | |
| Waarvan op de rekening-courant | 2.400.000 euro | 122.400 euro |
Van 4,6 naar 5,1 procent op 2,4 miljoen is 12.000 euro extra per jaar. De rente op de rekening-courant in totaal is 122.400 euro. De rente die toe te rekenen is aan de debiteurenpositie alleen, is 2.068.600 maal 5,1 procent, dat is 105.500 euro per jaar. Één dag gemiddelde betalingstermijn is 39.781 euro aan uitstaand geld en kost bij het nieuwe tarief 2.029 euro per jaar aan rente.
De brief van de bank ging over 12.000 euro, terwijl de betalingstermijn die de groothandel zelf bepaalt 105.500 euro per jaar kost. Als de groothandel de gemiddelde betaaltermijn van 52 naar 42 dagen brengt, komt er 397.800 euro vrij en daalt de rentelast met 20.300 euro per jaar. Dat is bijna twee keer het effect van beide ECB-stappen samen, en de rekening-courant zakt van 2,4 naar 2,0 miljoen, wat de groothandel ruimte geeft die hij bij de volgende groeistap nodig heeft. Groeit de omzet volgend jaar met 10 procent en blijven de dagen gelijk, dan groeit het werkkapitaal met 318.700 euro mee en staat de rekening-courant op 2.718.700 euro, 81.300 euro onder de limiet. Waarom groei op deze manier de bank tot rem maakt, rekenden we eerder door in het artikel over een installatiebedrijf dat bij de bank vastloopt.
Waarom het gemiddelde van 52 dagen het probleem verbergt
Een gemiddelde betaaltermijn is een gewogen gemiddelde van klanten die zich verschillend gedragen, en het gemiddelde middelt precies het deel weg waar het geld zit. In dit rekenvoorbeeld bestaat de omzet uit drie groepen. Zestig procent van de omzet komt van klanten die gemiddeld na 38 dagen betalen, en nog eens 25 procent van klanten die na 60 dagen betalen. De resterende 15 procent komt van grotere aannemers en industriële afnemers die hun eigen betaalkalender aanhouden en na 95 dagen betalen. Gewogen is dat 0,6 maal 38 plus 0,25 maal 60 plus 0,15 maal 95, dat is 52 dagen.
De laatste groep is 15 procent van de omzet, maar 27 procent van de debiteurenstand: 5.967 euro per dag maal 95 dagen is 566.900 euro. De eerste groep is 60 procent van de omzet en 44 procent van de debiteuren. Achter het gemiddelde van 52 dagen zit dus een probleem van 95 dagen bij een handvol klanten. Dat een klein deel van de klanten een groot deel van het geld vastzet, is hetzelfde patroon dat we beschreven in het artikel over het Pareto-principe als risicometer. Wie alleen de 95-dagengroep terugbrengt naar 60 dagen, wat de tweede groep al doet, maakt 208.800 euro vrij en bespaart 10.700 euro rente per jaar, zonder de 85 procent van de klanten die redelijk betalen lastig te vallen.
Bij 5,1 procent rente kost 95 dagen krediet 1,61 procent van de omzet exclusief btw, want de rente loopt over het bedrag inclusief btw. Op een brutomarge van 27 procent is dat 5,9 procent van de marge die je op die klant maakt. Bij 38 dagen is het 2,4 procent van de marge. Een klant die 95 dagen betaalt en daarnaast een extra korting van 3 procent heeft bedongen omdat hij groot is, levert per euro omzet dus zichtbaar minder op dan de kleinere klant die binnen de termijn betaalt. Dat verschil staat in de margerapportages die wij zien vrijwel nooit, omdat rente daar één regel onder het bedrijfsresultaat is en niet per klant wordt toegerekend.
Wat een acceptabele betalingstermijn is en wanneer je die haalt
Wat acceptabel is, verschilt per groothandel en per markt. De wet en je eigen factuur geven twee ankerpunten. Sinds 1 juli 2022 mag een groot bedrijf volgens artikel 6:119a lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (wet in Staatsblad 2022, 146, inwerkingtreding Staatsblad 2022, 175; toelichting in het Nederlands Juristenblad, juridisch vakblad) met een MKB-leverancier geen langere betaaltermijn dan 30 dagen afspreken; een langere termijn in een contract is nietig, dan geldt 30 dagen en daarna loopt de wettelijke handelsrente. Voor de groep grote aannemers die na 95 dagen betaalt, is de norm dus al wettelijk vastgelegd. Tussen MKB-bedrijven onderling geldt 60 dagen als bovengrens tenzij anders overeengekomen, en wat je op de factuur zet, is het uitgangspunt.
Wij zien bij handelsbedrijven dat een werkelijke gemiddelde betaaltermijn van contracttermijn plus tien dagen goed haalbaar is met een strakke, vriendelijke opvolging, en dat alles boven contracttermijn plus twintig dagen wijst op een proces dat niet loopt. In die gevallen gaan de facturen te laat de deur uit of blijven geschillen liggen, en een deel van de klanten weet dat er toch niemand belt. Onderstaande tabel geeft per klantgroep aan wat in dit rekenvoorbeeld acceptabel is en wat het oplevert om daar te komen.
| Klantgroep | Aandeel omzet | Nu | Acceptabel | Wanneer haalbaar | Vrijkomend bedrag |
|---|---|---|---|---|---|
| Kleine en middelgrote afnemers | 60 procent | 38 dagen | 35 dagen (30 plus 5) | Direct, met wekelijkse opvolging | 71.600 euro |
| Middelgrote afnemers met eigen betaalronde | 25 procent | 60 dagen | 45 dagen | Binnen twee kwartalen, na herziening van de condities per klant | 149.200 euro |
| Grote aannemers en industrie | 15 procent | 95 dagen | 30 dagen (wettelijk) tot 45 dagen (praktisch) | Binnen een jaar, per contract bij verlenging | 298.400 tot 387.900 euro |
De bedragen zijn de dagwaarde per groep maal het aantal dagen verschil: 23.868 euro maal 3, 9.945 euro maal 15, en 5.967 euro maal 50 tot 65. Alle drie samen is 519.000 tot 609.000 euro minder op de rekening-courant, en 26.500 tot 31.000 euro minder rente per jaar. Dat is de bovengrens van wat er in de debiteuren zit; in de praktijk haal je een deel, omdat je met de grote aannemers ook over prijs en volume onderhandelt en de betaaltermijn daar één van de fiches is.
Hoe een groothandel zijn debiteurenpositie verkort zonder klanten te verliezen
Begin met het toerekenen van rente aan klanten, intern, in de margerapportage. Neem de 5,1 procent uit dit voorbeeld, vermenigvuldig met de werkelijke betaaltermijn van de klant gedeeld door 365 en met 1,21 voor de btw, en trek dat van de brutomarge af. De klant die na 95 dagen betaalt, verliest dan 1,6 procent van zijn omzet aan financieringskosten. Daarmee wordt de betaaltermijn een onderdeel van de klantwinstgevendheid en verschuift het gesprek van "hij betaalt laat" naar "hij is 6 procent minder winstgevend dan hij lijkt". Dit is onze ervaring, en het is het onderdeel dat in de groothandels die wij begeleiden het snelst weerstand oproept bij verkoop, omdat de grootste klanten er het slechtst uitkomen.
Een betalingskorting is de stap die daarna vaak wordt voorgesteld, en in dit rekenvoorbeeld valt hij duur uit. De klassieke conditie uit het onderzoek van Ng, Smith en Smith is 2 procent korting bij betaling binnen 10 dagen, anders het volle bedrag na 30 dagen. Voor de klant is de korting laten lopen een dure keuze: 2 procent voor 20 dagen uitstel is 37 procent op jaarbasis, samengesteld 45 procent. Voor de groothandel is het aanbieden van die korting echter ook duur. Twee procent korting weggeven om 20 dagen eerder geld te hebben, bespaart bij 5,1 procent rente 0,28 procent aan financieringskosten. Ook als je rekent vanaf de werkelijke 52 dagen is de besparing 0,59 procent. De korting kost dus drie tot zeven keer wat hij oplevert, en de klanten die toch al op tijd betaalden nemen hem het eerst. Een betalingskorting is in dit voorbeeld alleen verdedigbaar als informatiemiddel, precies zoals Ng, Smith en Smith het beschrijven: de klant die hem structureel laat lopen, vertelt je dat zijn liquiditeit krap is, en dat is een signaal voor je kredietlimiet. Als financieringsinstrument verliest hij het van gewoon opvolgen.
Een kredietlimiet per klant die je ook handhaaft, levert in onze ervaring meer op. Petersen en Rajan laten zien dat een leverancier krediet geeft omdat hij zijn klant beter kent dan de bank. Gebruik die kennis dan ook: koppel de limiet aan de werkelijke betaaltermijn en aan het openstaande saldo, laat het systeem een order blokkeren zodra de limiet is bereikt, en laat verkoop bellen voordat de administratie een brief stuurt. Wij zien dat de meeste groothandels wel een limiet in het systeem hebben staan, en dat die bij de vijftien grootste klanten routinematig wordt overschreden omdat niemand de order durft tegen te houden.
Aan de voorraadkant ligt volgens de tabel een groter bedrag dan bij de debiteuren. Eén dag voorraad is in dit voorbeeld 24.000 euro en kost 1.224 euro rente per jaar. Als 20 procent van de voorraadwaarde bestaat uit artikelen die langzamer dan een keer per jaar omlopen, ligt daar 456.000 euro die 23.300 euro rente per jaar kost, nog los van de ruimte, het risico op veroudering en het afschrijven. Kieschnick en collega's vonden dat een euro debiteuren zwaarder meeweegt in de waardering dan een euro voorraad, en in dit voorbeeld is een dag debiteuren met 39.781 euro ook meer geld dan een dag voorraad met 24.000 euro. Daarom staan de debiteuren hier vooraan. De voorraad komt daarna aan de beurt, met dezelfde som per artikelgroep.
Tien dagen later betalen aan leveranciers scheelt in dit voorbeeld 290.400 euro op de rekening-courant. Deloof vond echter dat het juist de minder winstgevende bedrijven zijn die hun leveranciers laat betalen, en Petersen en Rajan dat leverancierskrediet het duurste krediet is zodra je er een korting voor laat lopen. Later betalen werkt alleen als het een afgesproken conditie is; een stille verlenging belast de leveranciersrelatie en kost je op termijn de korting of de leverprioriteit.
Factoring of een borrowing base-faciliteit, waarbij de bank tot een percentage van de debiteuren en voorraad financiert, ademt mee met de omzet en voorkomt dat een vaste limiet van 2,8 miljoen de groei blokkeert. In de offertes die wij zien ligt het tarief boven dat van een gewone rekening-courant, en factoring neemt de prikkel weg om de betaaltermijn zelf te verkorten. Zie het als vangnet voor de groei, terwijl de 52 dagen zelf in je eigen proces zitten.
Wanneer dit verhaal niet opgaat
Het rekenvoorbeeld gaat uit van een groothandel die zijn werkkapitaal bij de bank financiert. Een handelsbedrijf met een positieve kaspositie betaalt geen 5,1 procent, en verdient op zijn tegoed misschien 2 procent; de prijs van een dag betalingstermijn is daar dus minder dan de helft, en de afweging tegenover klanttevredenheid valt anders uit. Hetzelfde geldt voor een groothandel in een markt waar de betaaltermijn het enige is waarmee hij zich nog onderscheidt: Petersen en Rajan beschrijven leverancierskrediet ook als een investering in de klantrelatie, en McGuinness, Hogan en Powell laten zien dat kasrijke bedrijven in een crisis hun klanten via krediet overeind houden. Als je afnemers installateurs zijn die zonder jouw termijn omvallen, is 52 dagen soms een bewuste en verdedigbare keuze. Het moet dan wel een keuze zijn met een prijs die je kent, en die prijs staat nu 12.000 euro hoger dan begin dit jaar. Wie zijn grootste klanten onder de 30-dagenwet heeft en die termijn al haalt, heeft het grootste deel van de winst uit deze som al binnen.
De doe-het-zelf-variant
De zuivere methode is een kasconversiecyclus per klantgroep en per artikelgroep, met de rente toegerekend in de margerapportage en maandelijks bijgewerkt. Dat vraagt een systeem dat betaaldata per factuur bewaart en een controller die de koppeling maakt.
De doe-het-zelf-variant kost een middag met de ouderdomsanalyse van de debiteuren uit het boekhoudpakket. Sorteer de openstaande posten per klant, deel het openstaande bedrag per klant door zijn omzet inclusief btw van de laatste twaalf maanden en vermenigvuldig met 365. Dat is zijn werkelijke betaaltermijn in dagen, en wij zien dat die vrijwel altijd afwijkt van wat verkoop denkt. Zet de rente uit je laatste bankafschrift ernaast, vermenigvuldig het uitstaande bedrag per klant met dat tarief en je hebt de jaarlijkse rentekosten per klant. Doe dat voor je twintig grootste klanten; wij zien bij technische groothandels dat die meer dan de helft van de debiteuren dekken. Doe dezelfde som voor voorraad per artikelgroep met de omloopsnelheid uit je voorraadrapport. Wie daarna de vijf duurste klanten en de vijf traagste artikelgroepen op een A4 zet, heeft de agenda voor een directieoverleg dat wij zelden gevoerd zien. Hoe je zulke cijfers in een maandelijkse cyclus houdt, staat in het artikel over rolling forecasts.
Veelgestelde vragen over renteverhoging en betalingstermijn in de groothandel
Wat betekent de renteverhoging van de ECB voor mijn rekening-courant?
De ECB verhoogde op 10 september 2026 haar rentetarieven met een kwart procent, ingaand op 16 september, na een eerdere stap in juni. Banken berekenen dat vrijwel een op een door in de rekening-courant. Bij een gemiddeld opgenomen bedrag van 2,4 miljoen euro is elke stap 6.000 euro per jaar aan rente, vóór belasting. De ECB heeft aangegeven zich niet vast te leggen op een verder rentepad.
Hoeveel kost het als mijn klanten gemiddeld 50 dagen betalen?
Vermenigvuldig je omzet inclusief btw per dag met het aantal dagen en met je rentetarief. Bij 12 miljoen omzet exclusief btw is een dag 39.781 euro; 50 dagen is 1.989.000 euro uitstaand en kost bij 5,1 procent rente 101.400 euro per jaar, 52 dagen is 2.068.600 euro en 105.500 euro rente. Elke dag korter scheelt in dat voorbeeld 39.781 euro op de bank en 2.029 euro rente per jaar.
Hoe bereken ik de kasconversiecyclus van mijn groothandel?
Tel de debiteurendagen (debiteuren gedeeld door omzet inclusief btw per dag) op bij de voorraaddagen (voorraad gedeeld door inkoopwaarde per dag) en trek de crediteurendagen af (crediteuren gedeeld door inkoop inclusief btw per dag). In het voorbeeld is dat 52 plus 95 min 40, dus 107 dagen. Dat is het aantal dagen dat je elke euro inkoop voorfinanciert; het model komt van Richards en Laughlin (1980).
Is een betalingskorting van 2 procent verstandig om sneller betaald te krijgen?
In het rekenvoorbeeld niet als financieringsmiddel. Twee procent korting voor 20 dagen eerder betalen kost je 2 procent van de omzet en bespaart bij 5,1 procent rente 0,28 procent. Zelfs gerekend vanaf een werkelijke termijn van 52 dagen is de besparing 0,59 procent. De korting is wel bruikbaar als signaal: een klant die hem structureel laat lopen, betaalt liever 37 procent op jaarbasis dan nu, en dat zegt volgens Ng, Smith en Smith (1999) iets over zijn liquiditeit.
Wat is een acceptabele betalingstermijn (DSO) voor een technische groothandel?
Grote bedrijven mogen een MKB-leverancier sinds 1 juli 2022 wettelijk (artikel 6:119a lid 6 BW, Staatsblad 2022, 146) niet langer dan 30 dagen laten wachten. Tussen MKB-bedrijven onderling is 30 dagen op de factuur gebruikelijk en 60 dagen de bovengrens. Wij zien dat een werkelijke gemiddelde termijn van contracttermijn plus tien dagen haalbaar is met consequente opvolging; contracttermijn plus twintig dagen of meer wijst op een proces dat niet loopt.
Moet ik overstappen op factoring nu de rente stijgt?
Factoring of een borrowing base-faciliteit laat je financiering meebewegen met omzet en voorkomt dat een vaste limiet je groei blokkeert. In de offertes die wij zien ligt het tarief boven dat van een rekening-courant, en het neemt de prikkel weg om je eigen betaaltermijn te verkorten. Reken eerst uit wat er vrijkomt als je de langzaamste 15 procent van je klanten naar de contracttermijn brengt; in het voorbeeld is dat 208.800 euro, zonder extra financieringskosten.
Waarom verkort ik eerst de betaaltermijn en pas daarna de voorraad?
Kieschnick, Laplante en Moussawi (2013) vonden dat een extra euro die aan klanten is uitgeleend een groter effect op de aandeelhouderswaarde heeft dan een extra euro in voorraad. In het rekenvoorbeeld is een dag debiteuren ook meer geld dan een dag voorraad (39.781 tegenover 24.000 euro), omdat de factuur marge en btw bevat en de voorraad tegen inkoopwaarde staat. En de betaaltermijn bepaal je met je eigen proces, terwijl de voorraad vastzit aan je leverbelofte. De leverancierstermijn verleng je alleen in overleg.
Meer lezen: Waarom een winstgevend MKB-bedrijf toch vastloopt op cashflow, Waarom een winstgevend installatiebedrijf bij de bank vastloopt zodra het sneller groeit dan zijn winst toelaat en Rolling forecasts: sturen in een bewegende markt.
← Terug naar kennisbank